gemeente Houten
Gemeente:
Houten
Plannaam:
LEEDKRHOUT15
Status:
Vastgesteld

Planregels

 

Bestemmingsplan Leedijkerhout 15

 

Vastgesteld 23 juni 2011

HOOFDSTUK 1 Inleidende regels

 

Artikel 1 Begrippen

 

In deze voorschriften wordt verstaan onder:

 

  1. plan:

het bestemmingsplan ‘Leedijkerhout 15’ van de gemeente Houten;

 

  1. bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML bestand NL.IMRO.0321.0130BPLEEDKRHOUT15-VAST;

 

  1. aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

  1. aanduidingsgrens:

grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

  1. ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde;

 

  1. ander werk:

een werk, geen bouwwerk zijnde;

 

  1. archeologische waarde:

de waarde die van belang is voor de archeologie en voor de kennis van de beschavingsgeschiedenis;

 

  1. bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

 

  1. beroep aan huis

beroep of bedrijf, waarop de Wet Milieubeheer niet van toepassing is, dat in een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie verenigbaar is; hieronder wordt niet verstaan het voeren van een detailhandelsvestiging, horecabedrijf, escortbedrijf, seksinrichting of sekswinkel;

 

  1. beroeps- c.q. bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

 

  1. bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

 

  1. bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

  1. bijgebouw:

een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw, dat door zijn ligging, constructie of afmeting ondergeschikt is aan dat hoofdgebouw;

 

  1. bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

 

  1. bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

 

  1. bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

 

  1. bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel;

 

  1. bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

 

  1. bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

  1. cultuurhistorische waarde:

de aan een gebied of opstal toegekende waarde met betrekking tot de kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het slotenpatroon of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden;

 

  1. detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

 

  1. gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

  1. hoofdgebouw:

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;

 

  1. peil:

    1. bij gebouwen: de bovenkant van de afgewerkte vloer op de begane grond;

    2. bij bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het rondom afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw;

 

  1. scheidingslijn:

een op de plankaart aangegeven lijn, die de grens aangeeft tussen delen van bestemmings- en/of bouwvlakken, waarvoor verschillende, in deze voorschriften nader aangegeven, regelingen van toepassing zijn;

 

  1. verbeelding

De analoge verbeelding van het GML-bestand NL.IMRO.0321.0130BPLEEDKRHOUT15-VAST;

 

  1. woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, niet zijnde een woonwagen;

 

Artikel 2 Wijze van meten

  1. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

    1. de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

 

    1. de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

    1. de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

    1. de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

    1. de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

 

    1. onderlinge afstanden:

afstanden tussen bouwwerken onderling en ook afstanden van bouwwerken tot erfscheidingen worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn.

 

 

HOOFDSTUK 2 Bestemmingsregels

 

Artikel 3 Wonen ??? Vrijstaand (W-V)

 

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen-vrijstaand" aangewezen gronden zijn bestemd:

  1. wonen al dan niet in combinatie met een beroep aan huis.

 

3.2 Bouwregels

  1. Ten behoeve van de in lid 3.1 genoemde bestemming mogen, met inachtneming van de in lid 3.2 genoemde bepalingen, de daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken worden gerealiseerd.

 

  1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

    1. een hoofdgebouw (een woning) en een bijgebouw mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

    2. de goothoogte van een hoofdgebouw en een bijgebouw mag niet meer bedragen dan de op de plankaart aangegeven hoogte;

    3. de bouwhoogte van een hoofdgebouw en bijgebouw mag niet meer bedragen dan de op de plankaart aangegeven hoogte.

  2. Voor het bouwen van andere bouwwerken geldt dat de hoogte hiervan maximaal 3 m mag bedragen.

 

3.3 Gebruiksregels

  1. Gebruik van ruimten binnen de woning en de daarbij behorende bijgebouwen ten behoeve van de uitoefening van een beroep aan huis, wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

    1. de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft;

    2. degene die de activiteiten uitvoert, tevens de bewoner van de woning is;

    3. het geen activiteiten betreft die kunnen leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimten;

    4. geen detailhandel plaatsvindt.

 

  1. Onder strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in ieder geval verstaan:

    1. de opslag van vaten, kisten, al dan niet voor gebruik geschikte voer-, vaar- of vliegtuigen en machines of onderdelen daarvan, oude en nieuwe bouwmaterialen, afval, puin, zand, grind en brandstoffen, één en ander met uitzondering van opslag, die als normaal bestanddeel van gebruik ingevolge de bestemming van de betrokken gronden is aan te merken;

    2. de plaatsing van kampeermiddelen of andere onderkomens, niet zijnde een bouwwerk in de zin van de Woningwet, één en ander met uitzondering van plaatsing, die als normaal bestanddeel van gebruik ingevolge de bestemming van de betrokken gronden is aan te merken;

    3. de uitoefening van een seksinrichting.

 

 

 

Artikel 4 Waarde (WR) ??? Archeologie

 

4.1 Bestemmingsomschrijving

  1. De op de verbeelding als ‘Waarde (WR) – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

 

4.2 Bouwregels

  1. Aanvullend op hetgeen in artikel 3 is bepaald, zijn op deze gronden binnen deze dubbelbestemming toegestaan:

    • bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m2 (ongeacht de funderingsdiepte);

    • bouwwerken met een funderingsdiepte van minder dan 0,5 m onder peil (ongeacht de oppervlakte).

 

4.3 Afwijken van de bouwregels

  1. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor bouwwerken ten behoeve van de bestemming Wonen-Vrijstaand, mits uit archeologisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;

  2. In het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de omgevingsvergunning de volgende verplichtingen worden verbonden:

    1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

    2. de verplichting tot het doen van opgravingen;

    3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, archeologisch te laten begeleiden.

 

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

  1. In het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden is het verboden, behoudens het bepaalde in lid 4.4.3 van dit artikel, zonder of in afwijking van een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' op en in de in lid 4.1 bedoelde gronden, over een oppervlakte van 100 m2 of meer, de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren:

    1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 m onder peil, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;

    2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;

    3. het ophogen en egaliseren van gronden;

    4. het wijzigen van de waterhuishouding of de grondwaterstand en/of het vergroten van de toe- of afvoer van water door bijvoorbeeld het afdammen, stuwen, bemalen of onderbemalen, het draineren van gronden, het graven, dempen of anderszins vergroten en veranderen van waterlopen, sloten en greppels;

    5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem;

    6. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,5 m onder peil.

 

  1. 'Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' kan slechts worden verleend indien:

    1. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en

    2. vooraf door aanvrager van de 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waaruit blijkt dat in de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld:

        1. dat de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld;

        2. er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of

        3. de archeologische waarden hierdoor niet of niet onevenredig worden geschaad.

  2. Het in 4.4.1 gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:

        1. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen;

        2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.

  3. Alvorens een 'omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden' te verlenen als bedoeld in lid 4.4.1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen deskundige op het terrein van de archeologie.

 

4.5 Wijzigingsbevoegdheid

  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan zodanig te wijzigen dat het bestemmingsvlak:

    1. naar ligging wordt verschoven;

    2. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel

    3. van de verbeelding wordt verwijderd,

voor zover uit een nader archeologisch onderzoek geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden daartoe aanleiding geeft.

 

 

HOOFDSTUK 3 Algemene regels

 

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

 

Artikel 6 Algemene bouwregels

 

6.1 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

 

6.2 Algemene bepaling over bestaande afstanden en andere maten

 

6.2.1 Maximale maatvoering

Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toelaatbaar worden aangehouden.

 

6.2.2 Minimale maatvoering

In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toelaatbaar worden aangehouden.

 

6.2.3 Heroprichting

In het geval van (her)oprichting van gebouwen is het bepaalde in 6.2.1 en 6.2.2, d.w.z. maximale maatvoering en minimale maatvoering) uitsluitend van toepassing indien het geschiedt op dezelfde plaats.

 

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

 

7.1 Bevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:

    1. de in de regels voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%;

    2. de bestemmingsbepalingen en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;

    3. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van andere bouwwerken en hierbij toestaan dat de bouwhoogte van andere bouwwerken wordt vergroot tot maximaal 10 meter.

 

Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

 

8.1 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de in het plan opgenomen bestemmingen te wijzigen ten behoeve van:

  1. overschrijding van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijding mag echter niet meer bedragen dan 3 meter en het bestemmingsvlak mag met niet meer dan 10% worden vergroot;

  2. het aanpassen van opgenomen bepalingen in de voorafgaande artikelen, waarbij verwezen wordt naar bepalingen in wettelijke regelingen, indien deze wettelijke regelingen na het tijdstip van de tervisielegging van het ontwerpplan worden gewijzigd.

 

 

HOOFDSTUK 4 Overgangs- en slotregels

 

 

Artikel 9 Overgangsregels

 

9.1 Overgangsrecht Bouwwerken

  1. een bouwwerk dan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

    2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  2. burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder 9.1.a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder 9.1.a. met maximaal 10%;

  3. het bepaalde onder 9.1.a. is niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

 

9.2 Overgangsrecht gebruik

  1. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

  2. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder 9.2.a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

  3. indien het gebruik, bedoeld onder 9.2.a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

  4. het bepaalde onder 9.2.a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

 

Artikel 10 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Leedijkerhout 15'.

 

Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 23 juni 2011.