direct naar inhoud van 4.4 Natuur
Plan: PB00020MEERPAALZD-VAST
Status: vastgesteld
Plantype: projectbesluit
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.PB00020MEERPAALZD-VAST

4.4 Natuur

Voor de ontwikkeling van het sport- en werklandschap Meerpaal is een natuuronderzoek verricht (Visie ecologie Meerpaal-Zuid, Tauw, 5 november 2010). Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de ruimtelijke onderbouwing gevoegd. In het onderzoek zijn de aanwezige natuurwaarden geïnventariseerd en wordt advies gegeven omtrent de inpassing van bestaande natuurwaarden en de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden in het gebied. Dit advies wordt in de integrale gebiedsvisie voor sport- en werklandschap Meerpaal vertaald. Voorliggend project is daar een onderdeel van. In het gebied van het sport- en werklandschap Meerpaal zijn beschermde soorten waargenomen. Ten aanzien van de Flora- en faunawet gelden de volgende uitgangspunten:

  • De aanwezigheid van algemene broedvogels kan niet worden uitgesloten. Werkzaamheden dienen bij voorkeur buiten het broedseizoen (indicatief van half maart tot en met half juli) plaats te vinden. Echter, ook buiten de indicatieve periode van het broedseizoen zijn broedende vogels en hun nestplaats beschermd. Indien geen broedgevallen aanwezig zijn in het gebied, kunnen werkzaamheden doorgang vinden. De aanwezigheid (dan wel afwezigheid) van in gebruik zijnde nesten, dient voorafgaand aan de werkzaamheden door een deskundige te worden bepaald.
  • In het sport- en werklandschap Meerpaal is 1 vogelsoort met een jaarrond beschermde rust- en/of verblijfplaats waargenomen. Het betreft de Ransuil (categorie 4). De coniferen op particulier gebied mogen niet worden aangetast. Deze coniferen liggen niet in het plangebied van voorliggend projectbesluit.
  • Zowel de Kleine modderkruiper (tabel 2) als de Bittervoorn (tabel 3) is tijdens het vissen onderzoek waargenomen. Bij werkzaamheden aan het watersysteem dienen voldoende mitigerende maatregelen te worden getroffen om de functionaliteit van het watersysteem te garanderen. Is het treffen van dergelijke maatregelen niet mogelijk of zijn de maatregelen onvoldoende, dan dient ontheffing van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd op grond van een wettelijk belang uit het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten.
  • In het plangebied zijn 5 soorten vleermuizen waargenomen. Het betreft Laatvlieger, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Meervleermuis en Rosse vleermuis. De groen- en waterstructuren zijn erg geschikt als vliegroute en foerageergebied. Daarnaast bevindt zich een verblijfplaats van gewone dwergvleermuizen in één van de huizen aan de Veerwagenweg. Bij de inrichting van het gebied dient rekening te worden gehouden met deze strikt beschermde soortgroep. Concreet betekent dit dat geen foerageergebieden, vliegroutes
    en verblijfplaatsen mogen worden aangetast. Indien dit toch het geval is, dient dit vooraf te worden gecompenseerd.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden is het uitgangspunt dat nadelige effecten zo veel mogelijk worden voorkomen of gecompenseerd door het treffen van maatregelen. Naar verwachting zijn voor de beoogde ontwikkelingen in het projectgebied afdoende maatregelen te treffen zodat geen ontheffing van de Flora- en faunawet noodzakelijk is. Mocht bij de verdere planuitwerking blijken dat ontheffing noodzakelijk is, worden de werkzaamheden pas uitgevoerd nadat de ontheffing is verkregen.