direct naar inhoud van 4.8 Externe Veiligheid
Plan: Loerik III Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0320LOERIK3NRD-ONTW

4.8 Externe Veiligheid

Normstelling en beleid

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. Per 1 augustus 2012 zijn ook de veiligheidsafstanden uit het Basisnet spoor toegevoegd aan de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig.

In en rondom het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats door buisleidingen, over het water of over de weg.

Ten westen van en parallel aan het plangebied vind vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de spoorlijn Lunetten - Geldermalsen. Als gevolg van een aantal veiligheidsmaatregelen die zijn afgesproken in het Basisnet Spoor blijft met de prognoses van de toekomstige transport cijfers het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde. Als gevolg van het ontwerp Basisnet Spoor is het groepsrisico voor het plangebied Loerik III noord 0,63 keer de oriëntatiewaarde, voor zowel de huidige als de toekomstige bebouwingssituatie, dit blijkt tevens uit het advies van de Veiligheidsregio Utrecht, bijgevoegd als bijlage 6. Dit wordt bevestigd door het Basisnet Spoor waaruit blijkt dat voor het spoorwegtracé ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Tevens geldt voor het tracé geen plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Onderstaand figuur geeft een goede weergave voor de gemeente houten, dat na inwerkingtredeing van het Basisnet Spoor, er geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0320LOERIK3NRD-ONTW_0007.png" Figuur 4.1 Groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde.

Verantwoording groepsrisico

Effectscenario

Het maatgevend effectscenario voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn lunetten - Geldermalsen bestaat uit het brand scenario. Omdat het transport van brandbare gassen (categorie GF3) op basis van het vervoersplafond uit het Basisnet zeer beperkt is, is het BLEVE-scenario in dit geval niet maatgevend. Het brandscenario treedt op wanneer een tank met brandbare vloeistoffen lek raakt door bijvoorbeeld een aanrijding, waarbij tevens vonken ontstaan door de botsing en/of het schuren van metalen langs elkaar.

Maatregelen ter beperking van risico's

Als gevolg van de vaststelling van het Basisnet spoor is ook voor dit relevante traject een vervoersplafond vastgesteld. Daarmee is ruimte gecreëerd voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Dit betekent dat er geen mogelijkheden zijn om bronmaatregelen te treffen. Het groepsrisico bedraagt zowel in de huidige als in de toekomstige bebouwingssituatie minder dan de oriëntatiewaarde.

Maatregelen ter beperking van effecten

Los van de risico's kunnen aan de kant van de ontvanger maatregelen worden getroffen om de effecten ingeval van een calamiteit te beperken.

Het groepsrisico zorgt niet voor ruimtelijke beperkingen in bebouwing, ruimtegebruik en/of de aanwezigheid van (beperkt) kwetsbare objecten.

Ook moeten de gebouwen en de directe omgeving geschikt zijn om het gebied te kunnen ontvluchten waarbij de aanwezige personen tijdig moeten kunnen worden geïnstrueerd. De VRU adviseert rekening te houden met de eisen gesteld in artikel 6.37 en 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Deze artikelen gaan over een goede bereikbaarheid van het plangebied door de hulpdiensten en toereikende bluswatervoorzieningen. Dit heeft geen gevolgen voor de regels van het bestemmingsplan.

Beschouwing van zelfredzaamheid

In het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van groepen personen met een verminderde zelfredzaamheid zodat er geen bijzondere maatregelen nodig zijn. In het algemeen wordt gesteld dat de zelfredzaamheid van de aanwezige personen kan worden verhoogd door het bieden van handelingsperspectief. Voor het plangebied geldt, evenals de rest van Houten, dat er wordt gezorgd voor een dekking van het Waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS).

Er kan wel specifiek aandacht worden besteed aan risicocommunicatie met betrekking tot het haaks wegvluchten van de bebouwing bij calamiteiten

Conclusie verantwoording

Na uitvoering van bovenstaande maatregelen is sprake van een restrisico. Dit restrisico wordt, gelet op de zelfredzaamheid en de mogelijkheden tot bestrijding van calamiteiten, aanvaardbaar geacht.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.