direct naar inhoud van 4.6 Bodem
Plan: Loerik III Noord
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0320LOERIK3NRD-ONTW

4.6 Bodem

Beleid

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

De gemeente Houten heeft in 2009 een bodemkwaliteitskaart laten opstellen volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten van het Besluit bodemkwaliteit.

Loerik III is een verdachte locatie en valt daarom buiten de zonering van de bodemkwaliteitskaart omdat er in het verleden mogelijk sprake is geweest van een boomgaard. Mogelijk is sprake van verontreiniging met bestrijdingsmiddelen. Bodemonderzoek is noodzakelijk om te beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige gebruik.

Onderzoek

Door CSO adviesbureau is derhalve verkennend bodemonderzoek en infiltratieonderzoek uitgevoerd op de locatie. Op basis van de resultaten van het voorafgaande aan het bodemonderzoek uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot de verontreinigingssituatie; de toplaag van de bodem wordt beschouwd als verdacht voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen, de ondergrond wordt beschouwd als onverdacht voor bodemverontreiniging.

Uit het verkennend bodemonderzoek blijkt verder dat:

  • plaatselijk zijn sporen tot matige bijmenging met baksteen, sporen tot zwakke bijmengingen met puin en sporen kooldeeltjes in de grond tot 1,1 m-mv aangetroffen;
  • zintuiglijk zowel op het maaiveld als in de opgeboorde grond geen asbest verdacht materiaal aangetroffen is;
  • in puin-, baksteen- en kooldeeltjeshoudende bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink, PAK, DDD, DDE en/of soms OCB's aanwezig.
  • in de zintuiglijk schone bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan DDD, DDE en soms OCB's aanwezig;
  • de bovengrond valt (indicatief) binnen de klassen Industrie van het Besluit bodemkwaliteit, de kwaliteit van de ondergrond voldoet (indicatief) aan de klassen AW2000 (landbouw/natuur);
  • in het grondwater is maximaal een licht verhoogde concentratie barium aanwezig;
  • op basis van het infiltratie onderzoek kan worden gesteld dat binnen het perceel de bodemdoorlatendheid varieert van slecht tot matig doorlatend.

De licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood en zink zijn te relateren aan de bijmengingen met puin, baksteen en kooldeeltjes in de bodem. De licht verhoogde gehalten aan DDD, DDE en soms OCB's in de grond zijn te relateren aan het voormalige gebruik (boomgaard) op de locatie. De licht verhoogde concentratie barium in het grondwater kan beschouwd worden als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie.

De hypothese dat de bovengrond verdacht is voor verontreiniging met bestrijdingsmiddelen en dat de ondergrond onverdacht is, kan worden geaccepteerd. Tevens blijken in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen voor te komen. Omdat het voor zowel zware metalen als bestrijdingsmiddelen slechts licht verhoogde gehalten betreft wordt een aanvullend onderzoek niet noodzakelijk geacht.

De aangetoonde licht verhoogde gehalten brengen uit milieutechnische oogpunt geen risico's met zich mee bij het voorgenomen gebruik, wonen.

Conclusie

Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient er rekening gehouden te worden met de toplaag. Deze valt binnen de klassen Industrie volgens het Besluit bodemkwaliteit. Er gelden wettelijke beperkingen bij het verplaatsen en elders toepassen van (licht) verontreinigde grond, derhalve wordt aanbevolen om de grond zoveel mogelijk op de locatie zelf te laten. Het aspect bodem vormt verder geen belemmering voor dit bestemmingsplan.