direct naar inhoud van Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming)
Plan: Doornkade
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0060BPDoornkade-ontw

Artikel 8 Waarde - Archeologie 2 (dubbelbestemming)

8.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding als 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden.

8.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen in de overige voor deze gronden geldende bestemmingen is bepaald, zijn op en in deze gronden uitsluitend bouwwerken toegestaan met een oppervlakte kleiner dan 500 m² en bouwwerken een funderingsdiepte van minder dan 50 cm (van welk oppervlakte dan ook).

8.3 Ontheffing van de bouwregels
  • a. burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in 8.2 voor bouwwerken ten behoeve van de overige voor de betreffende gronden geldende bestemmingen, mits uit archelogisch onderzoek, zoals gesteld in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie, blijkt dat de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. in het belang van de archeologische monumentenzorg kunnen aan de ontheffing de volgende verplichtingen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologie die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties;
  • c. op de voorbereiding van een besluit omtrent ontheffingen als bedoeld in 8.3, is de in Afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

8.4 Aanlegvergunning
  • a. in het belang van de archeologische monumentenzorg en ter voorkoming van onevenredige aantasting van aanwezige archeologische waarden, is het verboden, behoudens het bepaalde in sub b, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) op en in de in lid 1 bedoelde gronden de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te (laten) voeren, over een oppervlakte van 500 m² of meer:
    • 1. het uitvoeren van graafwerkzaamheden en/of grondbewerkingen, het roeren en omwoelen van gronden, dieper dan 0,5 meter onder peil, waaronder begrepen het aanleggen van drainage;
    • 2. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen;
    • 3. het ophogen en egaliseren van gronden;
    • 4. het wijzigen van de waterhuishouding of de gorndwaterstand en/of het vergroten van de toe- en aanvoer van water door bijvoorbeeld het afdammen, stuwen, bemalen of onderbemalen, het draineren van gronden, het graven, dempen of anderzins vergroten en verbeteren van waterlopen, sloten en greppels;
    • 5. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op een andere wijze indrijven van objecten in de bodem;
    • 6. het slopen van gebouwen en het verwijderen van funderingen waarbij grondroering plaatsvindt dieper dan 0,5 meter onder peil.
  • b. een aanlegvergunning kan slechts worden verleend indien:
    • 1. door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, één of meer archeologische waarden van de betreffende gronden, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, en
    • 2. vooraf door aanvragen van de aanlegvergunning een rapport op basis van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie is overgelegd waaruit blijkt dat in de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld:
      • de archeologische waarden in voldoende mate zeker zijn gesteld; of
      • er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
      • de archeologische waarden hierdoor niet (in geval van op de verbeelding aangegeven hoge archeologische waarden) of niet onevenredig worden geschaad.
  • c. het in sub a gestelde verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden:
    • 1. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen, mits verricht door een deskundige op het terrein van archeologie;
    • 2. waarmee is of mag worden begonnen op het tijdstip van onherroepelijk worden van het bestemmingsplan.
  • d. alvorens een aanlegvergunning te verlenen als bedoeld in lid 1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen deskundige op het terrein van de archeologie;
  • e. indien burgemeester en wethouders afwijken van een in de vorige zin bedoelde advies kan een aanlegvergunning slechts worden verleend, indien vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van de vergunning geen bezwaar hebben.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. burgemeester en wethouders kunnen op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de verbeelding van het plan zodanig wijzigen dat het bestemmingsvlak:
    • 1. naar ligging wordt verschoven, dan wel
    • 2. naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel
    • 3. van de verbeelding wordt verwijderd, voor zover de geconstateerde aanwezigheid of afwezigheid van archeologische waarden, in voorkomend geval na beeindiging van opgravingen, daartoe aanleiding geeft.
  • b. op de voorbereiding van een besluit omtrent wijzigen als bedoeld in lid 4, is de in Afdeling 3.4 van de Algemene Wet Bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.