direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijventerrein
Plan: Doornkade
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0060BPDoornkade-ontw

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding op de verbeelding voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten voorkomen in de categorieën 1 tot en met 2 van de van deze regels deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat BEVI-inrichtingen niet zijn toegestaan;
  • b. ter plaatse van de aanduiding op de verbeelding voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten voorkomen in de categorieën 1 tot en met 3.2 van de van deze regels deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat BEVI-inrichtingen niet zijn toegestaan, met uitzondering van het verkooppunt voor motorbrandstoffen inclusief LPG;
  • c. ter plaatse van de aanduiding op de verbeelding voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten voor zover deze bedrijven en bedrijfsactiviteiten voorkomen in de categorieën 1 tot en met 4 van de van deze regels deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat BEVI-inrichtingen niet zijn toegestaan;
  • d. de uitoefening van perifere detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'perifere detailhandel' op de verbeelding;
  • e. de uitoefening van een kinderdagverblijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-kinderdagverblijf' op de verbeelding;
  • f. de uitoefening van een bezorgdienst, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf-bezorgdienst' op de verbeelding;
  • g. zelfstandige kantoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - zelfstandig kantoor' op de verbeelding;
  • h. kantoren die ondergeschikt zijn aan en ten dienste staan van de doeleinden als genoemd onder a tot en met c, met dien verstande dat maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 2000 m² hiervoor gebruikt mag worden;
  • i. de uitoefening van een benzinestation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen inclusief lpg' op de verbeelding;
  • j. een vulpunt lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg' op de verbeelding;
  • k. een veiligheidszone lpg, uitsluitend ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'veiligheidzone lpg' op de verbeelding;
  • l. een zend-onvangstinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' op de verbeelding;
  • m. een congrescentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum' op de verbeelding, met daarbij horende ondersteunende horeca;
  • n. afgeschermde buitenopslag voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn.

met de daarbijbehorende:

  • o. tuinen, erven en terreinen;
  • p. voorzieningen van algemeen nut;
  • q. paden;
  • r. waterlopen en waterpartijen;
  • s. parkeervoorzieningen;
  • t. groenvoorzieningen.

3.2 Bouwregels
3.2.1 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen, niet zijnde woningen en bijgebouwen bij woningen, gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwperceel mag voor maximaal 80% worden bebouwd;
  • c. de parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden;
  • d. tenminste 5% van het bouwvlak dient te worden ingericht met groenvoorzieningen;
  • e. de bouwhoogte van gebouwen binnen het bouwvlak mag maximaal 12 meter bedragen;
  • f. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 5 meter;
  • g. binnen de op de verbeelding aangegeven veiligheidszone is het niet toegestaan gebouwen uit te breiden;
  • h. binnen de op de verbeelding aangegeven veiligheidszone mogen geen gevoelige bestemmingen worden opgericht.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 meter, met dien verstande dat de maximale hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn 1 meter bedraagt;
  • b. de maximale bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en lichtmasten bedraagt 12 meter;
  • c. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 meter.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • d. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • e. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

3.4 Ontheffing van de bouwregels
3.4.1 Ontheffing bouwhoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 3.2.1 onder e teneinde een bouwhoogte van maximaal 20 meter te realiseren met dien verstande dat:

  • a. de parkeergelegenheid op eigen terrein conform de parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per 125 m2 BVO voor ondersteunende kantoorruimte en zelfstandige kantoorruimte wordt geregeld en de parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per 100 m² BVO voor bedrijfsruimte wordt geregeld;
  • b. er voorzieningen voor duurzame energie worden gerealiseerd;
  • c. de milieukwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Onder milieukwaliteit wordt in ieder geval verstaan de gevolgen voor de externe veiligheid, flora en fauna, bodem- en grondwaterkwaliteit en de mate van hinder voor de omliggende functies;
  • d. de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • f. de verkeersveiligheid en brandveiligheid is gewaarborgd.

3.4.2 Ontheffing bouwhoogte

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 3.2.2 onder a teneinde een hogere bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen te realiseren met dien verstande dat:

  • a. de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • c. de verkeersveiligheid en brandveiligheid is gewaarborgd.

3.4.3 Ontheffing perceelsgrenzen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 3.2.1 onder f teneinde een afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens van 3 meter te mogen bewerkstelligen met dien verstande dat:

  • a. de milieukwaliteit niet onevenredig wordt aangetast. Onder milieukwaliteit wordt in ieder geval verstaan de gevolgen voor de externe veiligheid, flora en fauna, bodem- en grondwaterkwaliteit en de mate van hinder voor de omliggende functies;
  • b. de functionele en ruimtelijke structuur niet onevenredig wordt aangetast;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast;
  • d. de verkeersveiligheid en brandveiligheid is gewaarborgd.

3.5 Specfieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:

  • a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  • b. detailhandel, met uitzondering van perifere detailhandel als bedoeld in 3.1 sub d;
  • c. horeca, met als uitzondering het aangeduide op de verbeelding;
  • d. seksinrichtingen en prostitutie;
  • e. bouwwerken, geen gebouw zijnde op de voorterreinen van de bedrijven;
  • f. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn, met uitzondering voor bedrijven die aan drie zijden worden omsloten door wegen, waarbij opslag voor de voorgevel kan worden toegestaan, onder de voorwaarde dat de opslag door groen wordt afgeschermd.
  • g. een nieuw op te richten bezorgdienst, indien de bedrijfsvoering van de bestaande bezorgdienst reeds is beëindigd.

3.6 Ontheffing van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in 3.1 ten behoeve van:

  • a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die zijn opgenomen in een hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 3.1 en niet in de Lijst van bedrijven worden genoemd; indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 3.1;
  • b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 3.1, niet in de Lijst van bedrijven wordt genoemd;
  • c. bedrijven die onder het BEVI vallen.

Bij de beoordeling van de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf dienen de volgende milieubelastingcomponenten mede in de beoordeling te worden betrokken: geluid, geurproductie, stofuitworp en gevaar, waarbij tevens kan worden gekeken naar de verontreiniging van lucht en bodem, de diversiteit en het al dan niet continue karakter van het bedrijf en de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.

3.7 Wijzigingsbevoegdheid
  • a. burgemeester en wethouders zijn bevoegd een aanduiding als bedoeld in 3.1 te verwijderen indien de activiteit ter plaatse gedurende een half jaar is beëindigd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de activiteit op korte termijn wordt voortgezet;
  • b. burgemeester en wethouders zijn bevoegd met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 Wro, de van deze regels deel uitmakende Lijst van Bedrijfsactiviteiten te wijzigen in die zin dat de categorie-indeling van bedrijven kan worden gewijzigd, indien en voor zover een wijziging van milieubelasting van de desbetreffende typen van bedrijven daaroe aanleiding geeft.