direct naar inhoud van 6.4 Handhaving
Plan: Woonschepenlocatie Tull en 't Waal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0160BPWOONSCHEPEN-VAST

6.4 Handhaving

De aspecten van de handhaving, de handhaafbaarheid alsmede van de integrale veiligheid spelen bij het maken en uitvoeren van nieuwe (bestemmings)plannen een steeds belangrijkere rol. In het kader van de fundamentele herziening van belangrijke wetten zoals de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (WABO) heeft het Ministerie van VROM nadrukkelijk gewezen op het belang van een adequate handhaving van de wettelijke bepalingen en de vastgestelde plannen. Handhaving is daarmee in de loop van de tijd niet alleen speerpunt van rijksbeleid geworden, maar ook van provinciaal en gemeentelijk beleid.

Niet alleen de overheid richt haar aandacht in toenemende mate op veiligheid en handhaving. Ook in de jurisprudentie van de (bestuurs)rechter is een tendens zichtbaar die de beleidsvrijheid van overheden met betrekking tot de inzet van het handhavinginstrumentarium steeds verder inperkt.

Handhaving is overigens veel meer dan feitelijk optreden. Er bestaat een onderscheid tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten vallen onder andere communicatie, voorlichting en vormen van (financiële) ondersteuning als subsidieverlening. Vormen van repressieve instrumenten zijn onder meer controle, toezicht en opsporing plus het hanteren van sancties als bestuursdwang, dwangsom (bestuursrecht) en boetes (strafrecht).

Jurisprudentie
Ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRS) geldt dat alleen van handhavend optreden ten opzichte van een illegale situatie kan worden afgezien onder bijzondere omstandigheden dan wel bij concreet zicht op legalisatie. Onlangs heeft de AbRS dit vereiste nog eens nader gespecificeerd (AbRS 16 mei 2007, LJN: BA5244).

De omstandigheid dat een overtreding door een bestuursorgaan lange tijd ongemoeid is gelaten betekent niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving is, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bevoegde bestuursorgaan verplicht tot handhaving. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan het bestuursorgaan afzien van handhaving. Dit is het geval als concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van handhavend optreden kan worden afgezien.

Bevoegd gezag
In het onderhavige plangebied zijn drie bevoegde gezagen actief, te weten: Rijkswaterstaat (op basis van de Wbr), Provincie (in het kader van de Landschapsverordening provincie Utrecht 2011) en gemeente (op basis van het bestemmingsplan).

Gebleken is dat eventuele handhavingsacties tegen de woonschepen primair op basis van het planologisch regime en Verordening Natuur en Landschap kunnen plaatsvinden. Op basis van ervaringen bij handhavingsacties in Wijk bij Duurstede (waar (woon)schepen eveneens liggen afgemeerd in een dode rivierarm) blijkt dat Rijkswaterstaat geen bevoegdheden heeft om handhavend op te treden.

Provinciaal Handhavingsbeleid
De provincie Utrecht voert reeds sinds 1963 een woonschepenbeleid door middel van een Woonschepenverordening provincie Utrecht (WSV). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat illegaal een ligplaats wordt ingenomen door een woonschip uit het oogpunt van ontoelaatbare aantasting van landschap, natuur en cultuurhistorische en archeologische waarden. Sinds 1986 is het provinciaal beleid er ook op gericht dat woonschepen en hun ligplaatsen primair dienen te worden geordend door middel van de ruimtelijke ordening. Het behoort tot taak van de gemeente om ligplaatsen in bestemmingsplannen te regelen.

De eerste verslagen over het mogelijk optreden van overheden tegen de woonschepen op deze locatie dateren reeds uit 1982. Toenmalige insteek was om de schepen, een enkel schip ligt er reeds vanaf medio jaren zeventig, te verwijderen. In de loop der jaren is gebleken dat de toenmalige plannen niet haalbaar en/of uitvoerbaar waren.

In de periode april 1998 - oktober 2000 heeft een projectgroep (hierin had ook de gemeente Houten een plaats) als voorbereiding op de destijds op te stellen woonschepenverordening van de Provincie, zich opnieuw gebogen over de woonschepenproblematiek in Houten. De destijds geopperde ideeën met betrekking tot het oplossen van de knelpunten zijn nooit verder uitgewerkt in duidelijke, formele besluiten. De knelpunten zijn wel in de Woonschepenverordening opgenomen. Deze verordening, inmiddels bekend als de Verordening Natuur en Landschap ( die de basis vormt voor de Notitie Woonschepenbeleid 2002-2012) is in oktober 2000 is vastgesteld door Provinciale Staten. In de notitie is aan de woonschepen (knelpunten) een bepaalde categorie gegeven. Voor de locatie in Houten zijn in de notitie acht schepen aangemerkt als ‘knelpunt, categorie 3’. Dit betekent dat ze een ligplaatsontheffing met bezwaar hebben en dat, zodra de omstandigheden wijzigen, de ontheffing kan worden ingetrokken en opnieuw kan worden verleend voor een ligplaats op een meer aanvaardbare locatie. Deze ‘ontheffingen met bezwaar’ zijn destijds niet alleen afgegeven als instrument om verplaatsing/herschikking van de schepen af te kunnen dwingen die nodig zou zijn bij een toekomstige sanering, maar ze boden tevens de mogelijkheid om adequaat te kunnen optreden tegen nieuwkomers.
Gemeentelijke handhavingsbeleid
Vóór de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied (vanaf 23 januari 2003 vigerend) gold in het plangebied het Uitbreidingsplan Tull en 't Waal, een bestemmingsplan uit 1957. In dit oude plan vielen de woonschepen binnen de bestemming ‘Rivier’. In dat bestemmingsplan zaten echter geen gebruiksbepalingen voor die bestemming, waardoor tot 23 januari 2003 op basis van het bestemmingsplan geen sprake is geweest van strijdig gebruik. De schepen die voor die datum waren aangemeerd vallen onder het overgangsrecht van dat bestemmingsplan. Daarmee zijn ze vanuit gemeentelijk oogpunt in zoverre gelegaliseerd, dat ze mogen blijven liggen, mits het strijdig gebruik naar aard en omvang niet wordt vergroot. Op de overige schepen kan gehandhaafd worden.

Op 3 februari 2004 heeft de raad de Kaderstellende Nota Integrale Handhaving vastgesteld.

Jaarlijks dient het college van burgemeester en wethouders verslag te doen van de werkzaamheden die het afgelopen jaar zijn verricht en dient een jaarplan te worden opgesteld waarin de werkzaamheden en de prioriteiten voor het komende jaar worden bepaald. Met de invoering van het omgevingsrecht (WABO, BOR en MOR) moet dit nog nadrukkelijker gebeuren vanwege het aanscherpen van de wettelijke eisen.

In het kader van het onderhavige bestemmingsplan zijn in het kader van de herinrichting (integrale) handhavingsacties voorzien. Deze zullen dan ook in een verslag aan burgermeester en wethouders teruggekoppeld worden.

Status woonschepen
Op basis van de gemeentelijke en provinciale beleidskaders (bestemmingsplan en VNL) en bijbehorende inwerkingtredingsdata zijn de vaartuigen (en overige zaken) in het plangebied in 2004 geïnventariseerd en is de status van de verschillende vaartuigen geanalyseerd. De situatie is in de daaropvolgende jaren gemonitord. Op basis van de bekende gegevens is door de provincie voor acht woonschepen en ontheffing met verplaatsingsclausule op grond van de VNL verstrekt. De ontheffing geldt sec voor het woonschip en de steiger. 9 woonschepen krijgen met dit bestemmingsplan een formele ligplaats. De gemeente heeft dus niet op voorhand de bedoeling om het aantal woonschepen in de toekomst terug wil brengen. Wel wil de gemeente een handvat hebben om, mocht er zich een situatie voordoen dat de ligplaats niet wordt ongevuld, deze onder voorwaarden te kunnen verwijderen. Om dit mogelijk te maken is er in artikel 5 van de planregels een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het college de aanduiding 'woonschepenligplaats' kan verwijderen.

Met betrekking tot de overige (illegale) zaken in het plangebied geldt vanuit handhavingsperspectief het volgende:

  • De woonark “Ze zeggen” ligt reeds jaren op dezelfde plek. Deze ligt niet binnen het plangebied van het bestemmingsplan. Dat was ten tijde van het ontwerp van het bestemmingsplan wel zo, maar de plangrenzen van het bestemmingsplan worden bij vaststelling van het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld afgestemd op het Provinciaal Inpassingsplan (PIP) “Ruimte voor de Lek”. De handhavingsactie tegen deze ark is juridisch geslaagd (uitspraak vz. ARRS dd. 6 augustus 1991), maar de uitvoering bleek op praktische/nautische problemen te stuiten. De ark ligt er in ieder geval vanaf april 1988 en is volgens betrokkene een vervanging van een oud (uitgebrand) schip (voormalig vrachtschip, type Hagenaar) dat aldaar van 1977 tot 1987 heeft gelegen. De effectuering van de bestuursdwang is de afgelopen 12/13 jaar niet gelukt en hierom is in 2007 een concept-gedoogbeschikking opgesteld, maar deze is echter nooit geformaliseerd. Gegeven het bovenstaande wordt er ten aanzien van de woonark “Ze Zeggen” in het kader van dit plan geen verdere actie op ondernomen.
  • Tegen (woon)schepen en/of drijvende voorwerpen die recent (na de genoemde data) in het gebied zijn afgemeerd wordt handhavend opgetreden door de provincie. Uit luchtfoto’s valt op te maken dat er tussentijds twee illegale schepen zijn bijgekomen.
  • Tegen alle illegaal aanwezige zaken rond hun schip en op de kade, die geen onderdeel uitmaken van de ontheffing Natuur en Landschap van de Provincie, wordt handhavend opgetreden. Een bijzondere situatie betreft de zogenaamde speelboot.


Handhaving tijdens en na herinrichting
Parallel aan het planologische (legalisatie) traject wordt een handhavingstraject opgestart waarbij de bewoners alle illegaal aanwezige zaken rond hun schip en op de kade, die geen onderdeel uitmaken van de ontheffing Natuur en Landschap van de Provincie, dienen op te ruimen.

Het is de bedoeling dat de woonschepenlocatie, na de verplaatsing/herinrichting van de schepen, door een strikt periodiek toezicht van zowel gemeente, provincie als Rijkswaterstaat bij controles voldoet aan alle gestelde regels. Is eenmaal vastgesteld dat er sprake is van een overtreding waarop gemeentelijke handhaving moet volgen, dan voorziet het beleid van de gemeente in een drie-stappen-plan waarlangs de doelen van de handhaving (ongedaan maken onwenselijke / onveilige situatie) kunnen worden bereikt. Het drie-stappen-plan bestaat uit:

  • Stap 1: Bestuurlijke waarschuwing;
  • Stap 2: Voornemen van een dwangsom/bestuursdwang (voorkeur voor dwangsom);
  • Stap 3: Oplegging dwangsom / uitoefening bestuursdwang.