direct naar inhoud van 4.5 Flora en fauna
Plan: Woonschepenlocatie Tull en 't Waal
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0160BPWOONSCHEPEN-VAST

4.5 Flora en fauna

4.5.1 Wettelijk kader

De bescherming van de natuur is in Nederland vastgelegd in respectievelijk de Natuurbeschermingswet van 1998 en 2005 en de Flora- en faunawet. Deze wetten vormen een uitwerking van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt aanvullend gebiedsbescherming plaats door middel van de ecologische hoofdstructuur (EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk.

Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet heeft betrekking op de gebiedsbescherming van de Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden) en de beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ingrepen die in deze gebieden plaatsvinden dan wel in de nabijheid van beschermde natuurgebieden, moeten worden getoetst op hun effecten op deze gebieden.

De Ecologische Hoofdstructuur voorziet in het behoud, het herstel en de ontwikkeling van nationaal en internationaal belangrijke ecosystemen. De EHS bevat alle gebieden waarop de inspanningen van het Rijk worden gericht om deze opgave te verwezenlijken. Dit gebeurt door ruimtelijke veiligstelling en door inzet van subsidieregelingen. Het EHS-beleid wordt op provinciaal niveau verder uitgewerkt. In Utrecht vindt via het Streekplan 2005 - 2015 bescherming plaats van de provinciaal uitgewerkte Ecologische Hoofdstructuur. In deze zone dient beleid gericht te zijn op behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. In de EHS wordt bij ruimtelijke ontwikkelingen het ‘nee, tenzij’- principe gehanteerd. Ruimtelijke ontwikkelingen dienen getoetst te worden op effecten op de natuurwaarden. Schadelijke effecten zijn alleen toegestaan indien er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn en als alternatieven ontbreken.

Soortbescherming
De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek) vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in een aantal bij de Flora- en faunawet behorende besluiten en regelingen.

Sinds 22 februari 2005 is een nieuwe AMvB in werking getreden die voorziet in een wijziging van het ‘Besluit beschermde dier- en plantensoorten’. Door deze AMvB is sprake van vier categorieën beschermingsniveaus:

  • niveau 1: een algemene vrijstelling van in Nederland algemeen voorkomende soorten. Voor deze soorten is geen ontheffing van de artikelen 8 tot en met 12 van de Flora- en faunawet meer nodig;
  • niveau 2: een algemene vrijstelling met gedragscode voor een aantal beschermde soorten genoemd in tabel 2 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, zoals bijvoorbeeld Eekhoorn en Steenmarter. In een op te stellen gedragscode moet worden aangegeven hoe bij nieuwe plannen en projecten omgegaan dient te worden met beschermde soorten. Onder deze voorwaarden, vooraf goedgekeurd door de minister van LNV, kan gebruik worden gemaakt van deze vrijstelling.
  • Op dit moment bestaat een algemeen toepasbare gedragscode voor een werkwijze bij ‘ruimtelijke ontwikkelingen’. Indien niet gewerkt wordt volgens een gedragscode moet voor deze soorten nog altijd ontheffing worden aangevraagd, de zogenaamde lichte toets wordt gehanteerd. Dit houdt in dat de ruimtelijke ingreep geen afbreuk mag doen aan de gunstige instandhouding van de soort.
  • niveau 3: streng beschermde soorten. Dit zijn de soorten genoemd in bijlage 1 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten en alle soorten die zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Voor deze soorten kan geen algemene vrijstelling worden gegeven en is voor ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten wordt getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van dwingende redenen van openbaar belang, 2) er zijn geen alternatieven voorhanden en 3) de ruimtelijke ingreep doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor een ontheffingsaanvraag moet aan alle drie de criteria worden voldaan;
  • vogels: alle inheemse vogelsoorten zijn vermeld in tabel 2 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer gewerkt wordt conform een goedgekeurde gedragscode. Wanneer geen gebruik gemaakt wordt van een goedgekeurde gedragscode is voor ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting een ontheffingsaanvraag noodzakelijk. Deze wordt getoetst volgens de ‘uitgebreide toets’ zoals genoemd bij niveau 3.


Zorgplicht
Artikel 2 van de Flora- en faunawet schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna achterwege moeten blijven.

4.5.2 Conclusie

Om inzicht te krijgen in de mogelijke en eventuele vervolgstappen vanuit natuurwetgeving en natuurbeleid in relatie tot de ontwikkeling heeft de gemeente een quickscan flora- en fauna laten uitvoeren. In deze paragraaf is een samenvatting van de quickscan opgenomen. Het volledige rapport is als bijlage opgenomen.

Samenvatting en advies
Het plangebied ligt buiten de invloedssfeer van door de Natuurbeschermingswet beschermde gebieden. In een straal van 5 kilometer rondom het plangebied liggen geen wettelijk beschermde natuurgebieden. Vanuit het plan hoeft geen rekening gehouden te worden met wettelijke gebiedsbescherming.

Het zuidelijke deel van het plangebied (waar geen woonschepen liggen) is door de provincie Utrecht begrensd binnen de Ecologische Hoofdstructuur. Het gebied is aangemerkt als ‘nieuwe natuur’. Volgens het ontwerp-natuurbeheerplan 2011 is hier de ontwikkeling van moeras (10%) en droog schraalland (90%) voorzien.

De oeverstrook waar de woonschepen liggen is door de provincie Utrecht aangemerkt als ecologische verbindingszone (evz). Deze evz verbindt de verschillende bestaande en nieuwe natuurgebieden in de uiterwaarden van de Lek. Voor deze evz is als beheertype ‘bloemdijk’ aangegeven in het ontwerp-natuurbeheerplan. Specifieke doelsoorten zijn niet vermeld voor de evz.

De herstructurering van de woonschepenlocatie is te beschouwen als een planologische nieuwvestiging. In de EHS - nieuwe natuur zijn echter geen ruimtelijke ontwikkelingen voorzien. Deze strook ligt ten zuiden van de woonschepenlocatie. Ook externe effecten van de woonschepen op de EHS zijn niet voorzien, aangezien de schepen nauwelijks licht- of geluidsverstoring tot gevolg zullen hebben.

Het bestemmingsplan is gericht op behoud en ontwikkeling van de natuurwaarden van de EHS en de ecologische verbindingszone. Aantasting van de EHS is niet aan de orde. Het plan hoeft daarom niet te worden beoordeeld volgens het nee, tenzij- principe. Het is aan te bevelen om de mogelijkheden voor inrichtings- en beheersubsidie vanuit de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) te onderzoeken zodat de natuurwaarden van de EHS ook ontwikkeld kunnen worden.

Om verstoring van vogels te voorkomen is het aan te bevelen dat het rooien van struiken en ruigtevegetaties in de periode september - maart plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, of wanneer redelijkerwijs verwacht kan worden dat binnen de genoemde periode toch vogels in de vegetatie broeden, is het noodzakelijk om de initiatieflocatie vóór de ingreep te laten controleren op aanwezige broedvogels. Wanneer dan geen vogels op de initiatieflocatie nestelen, kan alsnog begonnen worden met de ingreep.

Voor vleermuizen is een met bomen begroeide oever erg interessant als foerageergebied. Dit is mogelijk te ontwikkelen door langs de oever bomen zoals wilgen of populieren aan te planten, oftewel spontane opslag van bomen toe te staan. Voor de vogelsoorten Oeverzwaluw en Ijsvogel is het aan te bevelen om in de oever plaatselijk een steile wand te creëren waarin de vogels kunnen nestelen. Overigens zijn dergelijke maatregelen niet wettelijk vereist op basis van de Flora- en faunawet.

Naar aanleiding van de vooroverlegreactie van de provincie Utrecht is de Beslisboom Nee Tenzij Ecologische Hoofdstructuur (EHS) doorlopen. Uit de beoordeling op de toetsingscriteria uit de eerder genoemde beslisboom blijkt dat het plan niet leidt tot significante aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken. De beoordeling is opgenomen in de quickscan flora- en fauna, deze is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan.