direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Eiland van Schalkwijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Waarom een nieuw bestemmingsplan voor het Eiland van Schalkwijk?

Het Eiland van Schalkwijk is een open en groen gebied ten zuiden van de kern Houten. Het wordt aangeduid als eiland omdat het vrijwel geheel wordt omsloten door water; het Amsterdam-Rijnkanaal, de Lek en het Lekkanaal. Juist het feit dat het eiland omringd is door water met een beperkt aantal verbindingen met de omgeving, heeft ertoe geleid dat de oorspronkelijke kwaliteiten vrijwel onaangetast zijn. Wel staan deze onder druk door actuele ontwikkelingen. Het eiland kent een prachtig en gaaf cultuurlandschap. Het heeft ruimtelijke kwaliteiten, die waardevol zijn voor het eiland zelf, maar ook voor de omgeving. Zo heeft het eiland sterke landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en van oorsprong een sterke agrarische identiteit en grondgebruik. Het eiland kenmerkt zich door fruitteelt en bosschages, maar bovenal kent het eiland een uitgestrekt weidelandschap met onaangetaste copeverkavelingstructuur uit de 12e en 13e eeuw. De landbouw is de belangrijkste economische drager en landschapsbeheerder. Over het eiland loopt een gave infrastructuur met boerderijen, woonhuizen, kleinschalige bedrijvigheid en lokale voorzieningen. Deze mix van functies hoort bij de dorpscultuur en -identiteit in de beide kernen Schalkwijk en Tull en 't Waal. Net als de sterke cohesie en het actieve verenigingsleven.

In 2011 is door de gemeente Houten de structuurvisie Eiland van Schalkwijk opgesteld. Hiermee is een toekomstbeeld voor het eiland neergelegd. Een visie die gericht is op de duurzame ontwikkeling van het eiland met en door alle betrokken partijen. Met deze visie wil de gemeente planologische duidelijkheid scheppen en bewoners van het Eiland uitnodigen mee denken en te werken aan het behoud en de ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk. De gemeente wil nu graag onderdelen uit de structuurvisie laten doorwerken naar het nieuwe bestemmingsplan voor het Eiland van Schalkwijk.

Deze wens wordt tevens ingegeven door het feit dat er een verplichting ligt om een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Een nieuw bestemmingsplan is noodzakelijk omdat per 1 juli 2008 de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is vervangen door een nieuwe wet, de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In deze nieuwe wet is expliciet geregeld dat bestemmingsplannen niet ouder mogen zijn dan 10 jaar. De Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stellen bovendien nieuwe technische eisen aan een bestemmingsplan. Daarbij gaat het om de vormgeving van de plannen, de digitaliseringverplichting en de uniformering van regels.

Doelstellingen van het nieuwe bestemmingsplan

  • Vertaling van de gemeentelijke structuurvisie naar een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan.
  • Een nieuw bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk dat is afgestemd op actueel beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente.
  • Het vervangen van (verouderde) bestemmingsplan(nen).
  • Voldoen aan de digitale verplichting. Het bestemmingsplan zal digitaal raadpleegbaar worden gemaakt. Doordat de informatiehuishouding beter wordt ingericht kan de gemeente haar ruimtelijke ordeningstaak efficiënter uitvoeren. Voor de burger is de informatie sneller beschikbaar (op elke plaats en elk tijdstip).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied omvat het gehele Eiland van Schalkwijk op het grondgebied van de gemeente Houten. In het noorden wordt het plangebied begrensd door het Amsterdam-Rijnkanaal. In het oosten, zuiden en westen volgt de plangrens de gemeentegrens. Voor de locaties De Groes 2, De Griend, en de bouwlocaties Tull en 't Waal, zijn reeds bestemmingsplannen vastgesteld of in procedure die voldoen aan de digitaliseringsverplichting. Deze locaties zijn daarom niet opgenomen in het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk.

In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Het nieuwe bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk zal de beheersverordening Buitengebied, vastgesteld 23 mei 2013, gedeeltelijk vervangen.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het geldende nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskader omschreven. Hoofdstuk 3 gaat verder in op de gebiedsvisie en de deelgebieden waarin het plangebied is opgedeeld. Een nadere uitwerking van de visie voor het plangebied is beschreven in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 worden de relevante sectorale aspecten behandeld; milieu, water, ecologie, landschap en cultuurhistorie en verkeer en parkeren. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 een korte toelichting gegeven op de juridische regelgeving van het bestemmingsplan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

Het bestemmingsplan voor het buitengebied komt tot stand binnen een dynamische beleidsomgeving, waarin velen zich op uiteenlopende wijze hebben uitgesproken over de gewenste inrichting en ruimtelijke kwaliteit van het Eiland van Schalkwijk. In deze paragraaf worden in het kort de krijtlijnen van de geldende beleidskaders op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau weergegeven. Binnen deze kaders dient de afweging plaats te vinden welke ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan (kunnen) worden geboden.

2.2 Nationaal beleid

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Barro (2011)

Samenvatting

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het plangebied zijn de volgende nationale belangen relevant:

  • 1. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten. Op de voorlopige lijst Werelderfgoed staan het gebied 'Nieuwe Hollandse Waterlinie', gelegen in het plangebied. Behoudenswaardig is het in samenhang met het landschap ontworpen hydrologische en militair verdedigingssysteem voor de Vesting Holland.
  • 2. Nationaal landschap Rivierengebied. Kernkwaliteiten: schaalcontrast open - besloten; Rivier, uiterwaard, oeverwal; kom; overgang stuwwal - rivier.
  • 3. Nationaal landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie. Kernkwaliteiten: forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; groen karakter; openheid.

Conclusie

De nationale belangen zijn in diverse beleidsstukken van lagere overheden vertaald. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie zijn de kernkwaliteiten van het rivierenlandschap benoemd en wordt ingezet op het behoud en de versterking van het militair erfgoed van de nieuwe Hollandse Waterlinie. Ook de gemeentelijke structuurvisie Eiland van Schalkwijk sluit aan op de genoemde kernkwaliteiten van het Nationaal landschap Rivierengebied. Daarmee zijn de voorgaande nationale belangen volwaardig meegenomen in dit bestemmingsplan.

2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro), 2012

Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende stappen:

  • a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Conclusie

De ladder moet worden toegepast als er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een toetsing aan de Ladder is vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan niet aan de orde.

2.3 Provinciaal en regionaal beleid

2.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (4 februari 2013)

Samenvatting

De met vele regiopartijen opgestelde Kadernota Ruimte en Strategie Utrecht 2040 hebben als basis gediend voor de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS). De filosofie 'lokaal wat kan, regionaal wat moet' staat in de PRS centraal. Het accent is verlegd van een toetsende rol van de provincie naar sturen op kwaliteit (ontwikkelingsplanologie).

De PRS is in essentie opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via het provinciale ruimtelijk beleid wordt bijgedragen aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De doelen uit de Strategie Utrecht 2040 vragen om een integrale aanpak die voor het provinciale ruimtelijk beleid resulteert in drie pijlers:

  • een duurzame leefomgeving;
  • vitale dorpen en steden;
  • landelijk gebied met kwaliteit.

Deze pijlers leiden tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats.

  • 1. Accent op de binnenstedelijke opgave

De provincie Utrecht wenst ten minste tweederde van de woningbouwopgave binnenstedelijk te realiseren. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave.

  • 2. Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied

De provincie Utrecht heeft een aantrekkelijk landelijk gebied. Het is gewenst deze kwaliteit te behouden en te versterken, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De zware terugval van financiële middelen voor natuur en recreatie om de stad wordt onder andere opgevangen door hier rood-voor-groenconstructies mogelijk te maken. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw. De aanwezigheid van zo'n 1,2 miljoen inwoners biedt afzetmogelijkheden voor de producten die dit oplevert. Bij dit alles is het kunnen beleven van rust en ruimte van belang.

Militair erfgoed

De provincie Utrecht kent een aantal grotere gebiedsgerichte ontwikkelingstrajecten rond de voormalige waterlinies: de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de Grebbelinie en de Stelling van Amsterdam. Deze programma's zijn voor een belangrijk deel in uitvoering en de inzet is om deze uitvoering verder te ondersteunen. Het accent ligt op het versterken van de linies in het landschap. Ook liggen er kansen op het gebied van publieksbereik. Een deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is gelegen binnen het plangebied Eiland van Schalkwijk. Voor het militair erfgoed van de voormalige waterlinies ligt de opgave vooral op het, via gebiedsontwikkelingen, versterken en beleefbaar maken van de linies in het landschap.

Landschap rivierengebied

Het plangebied Eiland van Schalkwijk is gelegen in het landschap 'Rivierengebied'. Het rivierengebied is een landschap met een langgerekte opbouw. Door de fysieke ondergrond en het menselijk gebruik daarvan, zijn duidelijk verschillende deelgebieden ontstaan: Flank, Langbroek, Kromme Rijn, Nederrijn/Lek en Schalkwijk. Elk deelgebied heeft zich ontwikkeld rondom een centrale ruggengraat. Rond deze ruggengraat is de eigen identiteit het sterkst te ervaren. De overgangen tussen deelgebieden zijn vrijwel overal geleidelijk, zonder scherpe grenzen. De verschillen tussen de deelgebieden zijn goed te beleven door routes dwars op de ruggengraat en kenmerkende vergezichten. De plekken waar ruggengraten beginnen, eindigen of elkaar ontmoeten verdienen extra aandacht. Hier komen ruimtelijke kenmerken en verhalen bij elkaar. Dit zijn de focuspunten van het rivierengebied. Enkele zijn als aandachtsgebied aangewezen, omdat er veel dynamiek is of omdat behoud extra inzet vraagt. De kernkwaliteiten staan hier onder druk.

Bij ontwikkelingen in het landschap van het rivierengebied staat het waarborgen, versterken en ontwikkelen van de eigen identiteiten van de vijf deelgebieden centraal. Dit richt zich zowel op het goed tot uiting komen van de karakteristieke kenmerken langs de centrale ruggengraat, als van de geleidelijke overgangen tussen de deelgebieden.

Voor het landschap 'Rivierengebied' dienen de volgende kernkwaliteiten behouden en versterkt te worden:

  • 1. schaalcontrast van zeer open naar besloten;
  • 2. samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom;
  • 3. samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwal-rivier;
  • 4. de Kromme Rijn als vesting en vestiging.

Experimenteerstatus

De gebiedsontwikkeling Eiland van Schalkwijk heeft in de PRS een experimenteerstatus gekregen. In het kader van de zoektocht naar de rolverdeling tussen overheden zoekt de provincie naar een specifieke, 'vrijere', regulering voor de gebiedsontwikkeling.

Daarbij wordt voorzien in een uitbreiding van 250 woningen, die op de eerste plaats gericht zijn op het behoud en versterken van de leefbaarheid van de kernen door de woningbouw zoveel mogelijk te beperken tot de lokale woningbehoefte. Woningbouw is ook mogelijk als economische drager voor de realisatie van de in de Visie genoemde doelstelling (landschap, natuur, water, landbouw, recreatie, cultuurhistorie, e.d.), mits niet strijdig met de andere functies en nauwkeurig afgewogen binnen het duurzaamheidskader eiland van Schalkwijk daarmee kan worden gerealiseerd.

Om in afstemming te voorzien ten aanzien van strategie, inhoud en uitvoering en de samenwerking tussen de provincie Utrecht, Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en de gemeente Houten is een Koersdocument ondertekend. In het Koersdocument is invulling gegeven aan de ambitie om de kwaliteiten van het gebied duurzaam in stand te houden.

Conclusie

De in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie beschreven landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het Eiland van Schalkwijk zijn tevens onderkend en overgenomen in de gemeentelijke structuurvisie. De gemeentelijke structuurvisie dient als inhoudelijke basis voor de in het bestemmingsplan toegekende gebruiks- en bouwmogelijkheden en de daarbij opgenomen randvoorwaarden. Daarmee zijn de voorgaande provinciale belangen volwaardig meegenomen in dit bestemmingsplan.

2.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013

Samenvatting

Doel van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. In de verordening zijn daartoe bepalingen over de inhoud van bestemmingsplannen opgenomen. Voor de inhoud van de PRV wordt verwezen naar de verordening zelf.

In onderstaande tabel is beschreven welke provinciale belangen uit de PRV van belang zijn voor het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk. Voor nadere voorwaarden bij genoemde regelingen wordt verwezen naar de PRV zelf.

Tabel 2.1 Pijler duurzame leefomgeving

Provinciale Ruimtelijke Verordening   Voor dit bestemmingsplan van belang  
Bodem   Het plangebied is niet aangewezen als een kwetsbaar gebied voor oxidatie.  
Water   Nabij Tull en 't Waal zijn gronden aangewezen als beschermingszone drinkwaterwinning. Binnen dit gebied mag het waterwinbelang niet worden geschaad.  
Energie:
* windturbines








* biomassavergisting  

Langs het Amsterdam-Rijnkanaal is een zone aangewezen als windenergielocatie. Binnen deze zone mogen, onder voorwaarden, windturbines met een ashoogte van 60 m of meer worden gebouwd. In het overige landelijk gebied mogen, onder voorwaarden, windturbines met een ashoogte tot 20 m worden gebouwd.

In het gehele plangebied mogen, onder voorwaarden, mestverwerkingsinstallaties worden gerealiseerd.  
Cultureel erfgoed   De Nieuwe Hollandse Waterlinie is aangeduid als 'militair erfgoed'. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van de linies is het behouden en versterken van de openheid van de voormalige inundatiegebieden en van de samenhang tussen de elementen van de linie van groot belang.  

Tabel 2.2 Pijler Ontwikkeling Landelijk Gebied

Provinciale Ruimtelijke Verordening   voor dit bestemmingsplan van belang  
Landelijk gebied:
* Eiland van Schalkwijk









* verstedelijking landelijk gebied



* woningen landelijk gebied


* bebouwingsenclaves en -linten




* woonschepen




* bestaande niet-agrarische bedrijven








* algehele agrarische bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing













* kernrandzone  
Het Eiland van Schalkwijk heeft tot de eerste herijking van de Verordening een 'experimenteerstatus'. Binnen de kaders van het in de bijlage van de Verordening opgenomen Koersdocument zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Hierbij moet vooral gedacht worden aan lokale initiatieven. Ongeacht het aantal ruimtelijke plannen dat wordt vastgesteld, biedt de Verordening tot de herijking voor het totale Eiland van Schalkwijk ruimte voor maximaal 250 woningen buiten de rode contour.

Verstedelijking in het landelijk gebied is niet toegestaan, met uitzondering van andere in de Verordening opgenomen mogelijkheden.

Voor zowel burger- als bedrijfswoningen geldt een maximale inhoudsmaat van 600 tot 800 m³.

Verstedelijking kan, onder voorwaarden, worden toegestaan in bebouwingsenclaves en -linten, waarbij een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit is vereist.


Voor woonschepen van historische waarde of gelegen in een zeer kwetsbaar gebied, kunnen nieuwe vervangende ligplaatsen, onder voorwaarden, worden toegestaan.

1. Op locaties van bestaande niet-agrarische bedrijven kunnen andere niet-agrarische bedrijven worden toegestaan, mits hierdoor de invloed op de omgeving niet toeneemt.
2. Bestaande niet-agrarische bedrijven mogen worden uitgebreid met maximaal 20% van de bestaande bebouwing. Hiervan kan worden afgeweken indien sprake is van economische noodzaak.

Bij algehele agrarische bedrijfsbeëindiging of bedrijfsverplaatsing kan, onder voorwaarden:
1. aan de bedrijfswoning en overige bedrijfsgebouwen een andere bedrijfsmatige functie worden toegekend; het oppervlak van de overige bedrijfsgebouwen dient met 50% te worden gereduceerd;
2. aan de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte een woonbestemming worden toegekend;
3. de bouw van één of meerdere nieuwe woningen worden toegestaan. (sloop 1.000 tot 2.500 m² = 1 woning/sloop 2.500 tot 4.000 m² = 2 woningen/sloop meer dan 4.000 m² = 3 woningen/sloop 5.000 m² kassen = 1 woning).

In kernrandzones kunnen, onder voorwaarden, stedelijke ontwikkelingen worden toegestaan indien dit de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verhoogd.  
Landschap
* rivierenlandschap



* aardkundige waarden  
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten, zoals beschreven in de bijlage Kernkwaliteiten landschap van de Verordening.

Nabij Tull en 't Waal is een gebied aangewezen als aardkundige waarde. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen dit gebied mogen de aardkundige waarden niet aantasten.  
Natuur
* Ecologische Hoofdstructuur






* groene contour

 
Een deel van het plangebied is aangewezen als Ecologische Hoofdstructuur. In dit gebied zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die de wezenlijke kenmerken en waarden aantasten. Negatieve effecten dienen te worden beperkt met mitigerende maatregelen of te worden gecompenseerd door inrichting van nieuwe natuur.

Langs de uiterwaarden van de Lek zijn gebieden aangewezen als groene contour. Binnen de groene contour is het behoud en de ontwikkeling van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden van belang. Binnen deze gebieden zijn, onder voorwaarden, rood-voor-groenontwikkelingen toegestaan.
 
Landbouw:
* agrarische bedrijven



 
- Omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij is niet toegestaan, tenzij het agrarisch bouwperceel in het landbouwontwikkelingsgebied of het verwevingsgebied ligt.

- de maximale oppervlaktemaat voor een bouwperceel ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven is 1,5 hectare. Hierbij is per bouwperceel een bedrijfswoning toegestaan en is binnen de agrarische bouwpercelen verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk. Van de maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare kan afgeweken worden tot maximaal 2,5 hectare als dit noodzakelijk is voor plaatsing van gebouwen, bouwwerken voor het opwekken van duurzame energie.
- uitbreiding van een bestaande grondgebonden veehouderijen en in een landbouwontwikkelingsgebied ook voor bestaande niet-grondgebonden veehouderijen kan worden toegestaan tot maximaal 2,5 hectare agrarisch bouwperceel tot maximaal 2,5 hectare, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:
a. waar de uitbreiding plaatsvinst in waterbescherm ingsgebieden, mag het belang van de waterwinning niet aangetast worden;
b. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;
c. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;
d. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting;
e. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.

- uitbreiding van een bouwperceel van een bestaande niet-grondgebonden veehouderij van maximaal 30% kan worden toegestaan in een verwevingsgebied onder de voorwaarde dat de uitbreiding landschappelijk goed inpasbaar is. Indien door de uitbreiding de oppervlaktemaat boven de 1,5 hectare uitkomt, is de uitbreiding toegestaan tot maximaal 2,5 hectare mits ook aan de hierna genoemde voorwaarden onder a., c., d. en e. is voldaan. Een uitbreiding van nog eens 30% van het bouwperceel is toegestaan tot maximaal 2,5 hectare indien hieraan een ondernemersplan ten grondslag ligt en voldaan is aan de volgende voorwaarden:
a. waar de uitbreiding plaatsvindt in waterbeschermingsgebieden, mag het belang van waterwinning niet aangetast worden;
b. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing;
c. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van het dierenwelzijn;
d. de uitbreiding draagt bij aan vermindering van de milieubelasting;
e. de uitbreiding draagt bij aan verbetering van de volksgezondheid.
nevenactiviteiten kunnen worden toegestaan, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:
1. de oppervlakte aan bedrijfsbebouwingen wordt niet vergroot;
2. erfinrichting en bedrijfsbebouwing zijn landschap- pelijk goed inpasbaar;
3 omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

- De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Onderbouwd moet worden dat de uitbreiding niet leidt tot wezenlijk negatieve effecten voor nabijgelegen natuur. Daarnaast bevat de toelichting een onderbouwing die aantoont dat de uitbreiding tot maximaal 2,5 hectare of met maximaal 30% noodzakelijk is voor de voortzetting van het agrarische bedrijf. Indien voorzien wordt in de mogelijkheid van nevenactiviteiten in een omvang van meer dan 300 m2, dan bevat de toelichting daarvoor een ruimtelijke onderbouwing. Een beeldkwaliteits- paragraaf maakt onderdeel uit van de ruimtelijke onderbouwing.  
Recreatie:
* recreatiezone





* bovenlokaal recreatieterrein  
Een deel van het plangebied is aangewezen als recreatiezone. In dit gebied kunnen, onder voorwaarden, nieuwe bovenlokale recreatieve voorzieningen, golfterreinen of rood-voor-groen ontwikkelingen worden toegestaan.


Het gehele plangebied is aangewezen als bovenlokaal recreatieterrein. In dit gebied kunnen, onder voorwaarden, uitbreidingen van bestaande bovenlokale recreatieterreinen en recreatieve poorten worden toegestaan.  

Bijlage Eiland van Schalkwijk

Als bijlage bij de Verordening is een koersdocument opgenomen voor het Eiland van Schalkwijk. In dit document worden allereerst de waarden van het Eiland van Schalkwijk benoemd. In een Intentieverklaring van de provincie Utrecht en de gemeente Houten hebben partijen afgesproken dat zij samenwerken om de genoemde kwaliteiten van het gebied duurzaam in stand te houden. Het koersdocument geeft nader invulling aan deze ambitie.

De volgende pijlers zijn benoemd voor de lange termijn visie voor Het Eiland van Schalkwijk:

  • 1. Alle inspanning op het Eiland is gericht op behoud en ontwikkeling van het landschap en het versterken van de economische basis daarvan. Net zo belangrijk is het vergroten van de leefbaarheid voor bewoners en het aantrekkelijker maken voor bezoekers. 
  • 2. Alle ontwikkelingen dragen bij aan de duurzame toekomst van het Eiland. 
  • 3. Landbouw is en blijft de belangrijkste beheerder van het landschap op het Eiland. 
  • 4. Verbreding van de landbouw is de motor van de duurzame ontwikkeling van het Eiland. 
  • 5. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is de hoofddrager van het toeristisch-recreatief profiel van het Eiland. 
  • 6. Woningbouw, onder strakke voorwaarden, is geen doel maar een middel om te bouwen aan de duurzame toekomst van het Eiland. 
  • 7. Er vinden geen grootschalige verkeersingrepen plaats op het Eiland. 
  • 8. Werken aan een duurzame toekomst voor het Eiland betekent hechte samenwerking tussen publieke en private partijen. 
  • 9. In de gemeentelijke structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk wordt gekoerst op het toepassen van een mix van sturingsregimes, van strak tot flexibel, waarmee een optimale combinatie wordt gezocht van ruimte voor ondernemerschap en het waarborgen van landschappelijke kwaliteiten. 
  • 10. Publieke partijen wegen samen af en bepalen samen welke initiatieven ten goede komen aan de duurzame toekomst van het Eiland van Schalkwijk. 

Conclusie

De Provinciale Ruimtelijke Verordening heeft een meer dwingend karakter. De verordening stelt grenzen aan de agrarische gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden, biedt mogelijkheden voor verbreding en verandering van agrarische bedrijven en dat alles in de context van de benoemde landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Ten behoud en bescherming van deze kwaliteiten biedt de gemeentelijke structuurvisie voldoende sturing. In hoofdstuk 4 is verder aangegeven op welke wijze de regels uit de Verordening in het bestemmingsplan zijn vertaald.

Daarmee zijn de voorgaande provinciale belangen volwaardig meegenomen in dit bestemmingsplan.

2.3.3 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied (september 2010)

Samenvatting

In het uitvoeringsprogramma Kromme Rijn vormt het opstellen van een LOP voor het Kromme Rijngebied een van de projecten. De gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist hebben besloten samen een landschapsontwikkelingsplan (LOP) op te stellen. Samen met het beeldkwaliteitplan is het LOP in september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld.

Het belangrijkste doel van het landschapsontwikkelingsplan is het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten en samenhang in het plangebied. Daarbij staan de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop. Het buitengebied dient daarbij vitaal, aantrekkelijk en economisch gezond te zijn. Specifieke doelstellingen voor het LOP zijn de volgende:

  • waarborgen van het cultureel erfgoed en een goede leefomgeving voor toekomstige generaties door functies op adequate wijze te situeren en vorm te geven;
  • versterken van de identiteit en beleefbaarheid van het landschap;
  • stimuleren van de betrokkenheid (inhoudelijk en financieel) van de burger bij de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving en stimuleren van lokale en regionale initiatieven voor verbetering van het landschap;
  • vormen van een helder referentiekader vanuit de landschapskwaliteit voor beoordeling en advisering van nieuwe ontwikkelingen;
  • versterken van de (be)leefbaarheid van het buitengebied.

Deelgebied Kom van Schalkwijk

Op grond van de ontstaansgeschiedenis en de occupatie is het gebied in te delen in een aantal deelgebieden. Voor het plangebied van bestemmingsplan is deelgebied Kom Schalkwijk van belang. De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied zijn:

  • herkenbare slagenverkaveling en open landschap met Schalkwijk als fraai bebouwingslint;
  • overwegend weidebouw, echter ook laagstamfruitteelt;
  • bijzonder inundatiekanaal in het verlengde van fort Honswijk.

De daarbij geformuleerde problematiek en opgaven zijn:

  • beperkt aantal ontsluitingswegen voor landbouwkundig en recreatief verkeer;
  • in aansluiting op omringende stedelijke gebieden van Houten, Nieuwegein en Vianen is er behoefte aan recreatief medegebruik en een hiervoor aantrekkelijke inrichting;
  • doorsnijding en begrenzing door infrastructuur: Amsterdam-Rijnkanaal, spoorlijn Utrecht-Den Bosch, A2 en aan zuidzijde Lek;
  • toekomstige woningbouwopgave.

Conclusie

De gemeentelijke structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk, die de inhoudelijke basis vormt voor dit bestemmingsplan, benoemt dezelfde waarden van het plangebied. De waarden worden in de structuurvisie meer in detail gelokaliseerd en verfijnd. In de structuurvisie wordt tevens aandacht besteed aan het feit dat er een recreatieve druk wordt uitgeoefend op het Eiland van Schalkwijk vanuit de stad. In de structuurvisie wordt daarom voorgesteld om de agrarische activiteiten te verbreden richting recreatief medegebruik. Ontwikkelingen met een grootschalig karakter vormen geen onderdeel van dit bestemmingsplan. Deze passen wel binnen het beleidskader voor het Eiland van Schalkwijk maar dienen in een afzonderlijk (planologisch) traject te worden gerealiseerd.

Daarmee zijn de voorgaande regionale belangen volwaardig, maar wel voorzover mogelijk, meegenomen in dit bestemmingsplan.

2.3.4 Beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied (september 2010)

Samenvatting

In september 2010 heeft de gemeenteraad van Houten het beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied vastgesteld. Dit beeldkwaliteitplan is een uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan (LOP) Kromme Rijngebied en vormt een aanvulling op de welstandsnota's van de Kromme Rijngemeenten. De welstandsnota's gaan specifiek in op de kenmerken van de bebouwing in het buitengebied. Het Beeldkwaliteitplan gaat in op de ruimtelijke samenhang van de bebouwing met de omgeving, de erfinrichting en de visuele kenmerken van het landschap en geeft informatie over hoe nieuwe ontwikkelingen zo goed mogelijk kunnen worden ingepast in het Kromme Rijnlandschap.

Deelgebied Kom van Schalkwijk

Binnen het beeldkwaliteitplan is het plangebied gelegen in het deelgebied Kom van Schalkwijk. De kom van Schalkwijk heeft een open grootschalig karakter met een regelmatige slagenverkaveling. De bebouwing bestaat uit lintbebouwing en enkele vrijliggende boerderijen. Het gebied is vrij open. Beplanting is te vinden rondom de bebouwing, met name in de lengterichting van de kavel.

Aan de hand van onder andere een ervenanalyse, zijn diverse richtlijnen voor de inrichting en ontwikkeling van het Kromme Rijngebied gegeven. Voor de thema's paardenbak en weginrichting zijn aparte hoofdstukken opgesteld met richtlijnen.

Conclusie

In het beeldkwaliteitsplan zijn richtlijnen opgenomen ten aanzien van de beeldkwaliteit voor het veenweidegebied, de bebouwingslinten en ook voor het deelgebied Kom van Schalkwijk. De richtlijnen sluiten deels aan bij de uitgangspunten van zowel de provinciale structuurvisie als de gemeentelijke structuurvisie voor wat betreft het behoud van het karakteristieke landschap. Het bestemmingsplan is er op gericht deze waarde te beschermen en bij flexibiliteitsbepalingen zullen deze waarden expliciet worden meegenomen in de belangenafweging. Het beeldkwaliteitsplan benoemt echter ook richtlijnen voor de beeldkwaliteit van erven en gebouwen zelf. Deze kwaliteitseisen laten zich echter moeilijk vastleggen in het bestemmingsplan en vormen een afzonderlijk toetsingskader voor vergunningverlening naast het bestemmingsplan.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (december 2011)

Samenvatting

Het gemeentebestuur van Houten legt met de structuurvisie een toekomstbeeld neer voor het Eiland van Schalkwijk; een visie die gericht is op de duurzame ontwikkeling van het eiland met en door alle betrokken partijen. Het is niet vanzelfsprekend dat het Eiland van Schalkwijk zo mooi blijft als het is. Ontwikkelingen in de landbouw, oprukkende verstedelijking, veranderende maatschappelijke omstandigheden, maar ook actuele grondposities, dwingen ertoe om duidelijkheid te geven over de toekomst van het gebied. De structuurvisie is tot stand gekomen via een participatieproces waarin vele betrokkenen hebben deelgenomen. De visie legt een ontwikkelingsrichting voor de toekomst neer. Een richting waarbinnen het eiland zich de komende jaren kan ontwikkelen. De overheid zal daarbij vooral faciliteren, maar het initiatief om de visie te realiseren zal door ondernemers en bewoners genomen moeten worden.

Met deze structuurvisie legt de gemeente de koers op hoofdlijnen vast voor ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk, waarbij:

  • landbouw en recreatie de belangrijkste dragers zijn voor de economische ontwikkeling;
  • de leefbaarheid in de kernen (vitaliteit) verder zal worden versterkt;
  • de essentiële (landschappelijke en ecologische) kwaliteiten worden behouden en versterkt (open en groen);
  • ruimte wordt geboden aan water, waarbij een goed functionerend watersysteem bijdraagt aan economische en ecologische ontwikkeling;
  • duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is.

In de structuurvisie is het Eiland van Schalkwijk opgedeeld in 7 deelgebieden, namelijk;

  • de linten van Tull en 't Waal en Schalkwijk;
  • de komgronden ten noorden van Schalkwijk;
  • de komgronden ten noorden van Tull en 't Waal;
  • de polder Blokhoven;
  • de polder Vuylcop;
  • de oeverwal;
  • de rivier de Lek met de rivierdijk en uiterwaarden.

De deelgebieden ontwikkelen zich niet los van elkaar. De samenhang wordt onder andere bepaald doordat de gebieden veel gemeenschappelijk hebben. Belangrijk hierin zijn de aanwezigheid van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de ontwikkeling van de Groene Poorten en de verkeersstructuur die ervoor met zorgen dat alle deelgebieden fysiek met elkaar in verbinding staat.

Conclusie

In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de wijze waarop het gemeentelijk beleid is vertaald naar het bestemmingsplan.

2.4.2 Notitie beroep- en bedrijf-aan-huis (1 mei 2012)

Samenvatting

Naar aanleiding van nieuwe regelgeving, technische ontwikkelingen en beleidsmatige keuzes heeft de gemeenteraad op 1 mei 2012 een notitie vastgesteld met betrekking tot beroep- en bedrijf-aan-huis. Deze notitie beschrijft de beleidsmatige uitgangspunten van de gemeente ten aanzien van beroep- en bedrijf-aan-huis. Deze uitgangspunten worden vervolgens vertaald in juridische regelingen die vervolgens wordt opgenomen in bestemmingsplannen.

Conclusie

In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met het toetsingskader zoals beschreven in de notitie.

2.4.3 Paraplubestemmingsplan prostitutie (3 april 2007)

Samenvatting

Met de wetswijziging van 1 oktober 2000 is het wettelijk bordeelverbod (ex artikel 250 Wetboek van Strafrecht) opgeheven. Belangrijkste consequentie hiervan was dat het exploiteren van prostitutie, uitgeoefend onder de randvoorwaarden, volkomen legaal is geworden. De gemeenten zijn daardoor genoodzaakt om een integraal prostitutiebeleid te ontwikkelen en uit te voeren. De wetgever gaat ervan uit dat gemeenten in de vorm van een vergunningenstelsel regels stellen met betrekking tot prostitutiebedrijven en andere vormen van seksinrichtingen waardoor zij een belangrijke regisserende rol krijgen.

Op grond van de algemene verordenende bevoegdheid (ex artikel 108 Gemeentewet) heeft de gemeente Houten inmiddels al een aantal jaar regels in haar algemene plaatselijke verordening (APV) gesteld ter uitvoering van het gemeentelijk prostitutiebeleid. Het regulerend optreden dient naast de APV mede via het bestemmingsplan te geschieden, omdat daarmee kan worden bepaald waar (welke vorm van) seksinrichtingen zich wel en niet kunnen vestigen. In de APV is strijdigheid met het bestemmingsplan als een dwingende weigeringsgrond opgenomen, hierdoor wordt door aanpassing van de bestemmingsplannen een sluitend systeem gecreëerd. Het paraplubestemmingsplan Prostitutie is op 3 april 2007 vastgesteld door de gemeenteraad van Houten en goedgekeurd op 17 juli 2007. Het plan past de gebruiksbepalingen uit de vigerende bestemmings- en uitwerkingsplannen aan, waardoor seksinrichtingen worden uitgesloten. In het paraplubestemmingsplan is een ruimtelijke onderbouwing gemaakt, waarbij de Houtense bedrijventerreinen aangegeven zijn als enige mogelijke locatie waar middels een vrijstellingsbevoegdheid van burgemeester en wethouders, één prostitutiebedrijf gevestigd zou kunnen worden. Deze terreinen zijn onderling ook weer vergeleken op geschiktheid.

Conclusie
In het onderhavige bestemmingsplan is op grond van dit prostitutiebeleid, de vestiging van prostitutiebedrijven uitgesloten.

2.4.4 Horecabeleid Houten 2008-2011

Samenvatting

Met de uitvoeringsnotitie integraal horecabeleid Houten 2008-2011 zet de gemeente de kaders uit voor een horecaontwikkeling die de ruimtelijke, recreatieve en economische aantrekkingskracht en kwaliteit van het wonen, werken, winkelen en verblijven in de gemeente Houten versterkt. Met de uitvoeringsnotitie wordt de Horecastructuurvisie van de gemeente uit 2001 geactualiseerd. In randvoorwaardelijke zin kan de gemeente gewenste ontwikkelingen stimuleren en ongewenste ontwikkelingen tegenhouden.

De uitvoeringsnotitie kent vier ambities:

  • 1. met een evenwichtig en divers aanbod van horecavoorzieningen aansluiten op de behoefte van de sterk gegroeide bevolking en de eigen bevolkingssamenstelling;
  • 2. versterken van de identiteit van de deelgebieden;
  • 3. behoud van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat;
  • 4. goed gestroomlijnde interne en externe samenwerking met alle belanghebbenden op het gebied van horeca.

Het onderhavige plangebied is in de notitie onderverdeeld in twee deelgebieden: kleine kernen (Schalkwijk en Tull en 't Waal) en overig buitengebied. Horeca in deze deelgebieden kent, gelet op de natuurlijke en cultuurhistorische waarden, toeristen en recreanten als doelgroep.

Kleine kernen (Schalkwijk en Tull en 't Waal)

Het beleid van de Horecastructuurvisie 2001 voor de kleine kernen laat zich als volgt samenvatten:

  • bestaande functies worden geconsolideerd met ruimte voor modernisering van bestaande zaken;
  • kleinschalige ontwikkeling van horeca voor recreanten zijn mogelijk, te denken valt aan bed en breakfast, theetuin of eetcafé;
  • bij deze kleinschalige ontwikkelingen is er aandacht voor kwaliteit.

De uitvoeringsnotitie wil bestaande horeca-activiteiten in de kleine kernen beschermen en stimuleren. Nieuwe ontwikkelingen worden aangemoedigd, mits deze ontwikkelingen een recreatief of toeristisch oogmerk hebben.

Overig buitengebied

In de Horecastructuurvisie 2001 is voor het buitengebied opgenomen dat er voldoende aandacht moet zijn voor alle mogelijke vormen van overlast. Tevens is aandacht vereist voor de kwaliteit van het aanbod.

Het buitengebied kenmerkt zich door een nauwe relatie tussen recreatie en natuur. Allianties met natuur, waarbij recreatie de natuur versterkt, bieden oplossingen in kwetsbare gebieden. Het buitengebied heeft een goed potentieel voor nieuwe pleisterplaatsen en de daarbij horende horeca.

Verdere ontwikkeling van dagrecreatie en een grotere spin-off van agro-toerisme zijn gewenst. Bij ontwikkelingen dienen de belangen van de agrariër in ogenschouw te worden genomen. De uitvoeringsnotitie benoemd de volgende actiepunten voor het buitengebied:

  • toeristisch-recreatieve pleisterplaatsen in combinatie met horeca mogelijk maken in het buitengebied, door faciliterende ondersteuning bij nieuwe aanvragen;
  • ontwikkeling van kleinschalige horeca, kleinschalig kamperen en bed- en breakfast stimuleren in het gebied tussen het Amsterdam Rijnkanaal en de Lek, door faciliterende ondersteuning bij nieuwe aanvragen.

Conclusie

Het bestemmingsplan zal waar mogelijk ruimte bieden aan kleinschalige recreatieve ontwikkelingen. Alhoewel het bestemmingsplan zelf geen projecten kan ontwikkelen, zal de gemeente wel mogelijkheden opnemen voor bijvoorbeeld recreatie en kleinschalige horeca als nevenactiviteiten of een extensief recreatief medegebruik van agrarische gronden toestaan.

2.4.5 Visie Recreatie en toerisme (juni 2009)

Samenvatting

In de Visie Recreatie en Toerisme, startpunt Houten (juni 2009) wordt de voor Houten gewenste recreatief-toeristische ontwikkeling geschetst. De visie onderschrijft het gebrek aan een echte recreatief-toeristische traditie. Er zijn echter voldoende kansen voor het uitbouwen van het recreatief-toeristisch profiel van de gemeente. Daarbij wordt recreatie en toerisme als belangrijke economische drager van plattelandsontwikkeling gezien.

Het karakter van het buitengebied en dat van de hele Kromme Rijn is gebaseerd op rust en ruimte. Vanuit recreatief oogpunt is dit een grote kwaliteit binnen de verstedelijkte regio. Recreatieve ontwikkelingen behouden deze kwaliteit. Kleinschaligheid en kwaliteit zijn daarbij leidend. Grootschalige verblijfs- en vermaakrecreatie passen niet binnen deze visie. De gemeente spreekt met de visie een aantal uitdagingen voor de komende periode uit:

  • verbetering ontsluiting landelijk gebied en stadsrandzones voor langzaam (recreatief) verkeer;
  • ruimte bieden aan initiatieven voor ontwikkeling van pleisterplaatsen en rustpunten, de locatiekeuze is hierbij van belang (zie hierna volgende afbeelding);
  • stimuleren van zakelijk toerisme;
  • de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten van de stadsrandzone ontwikkelen om de wisselwerking tussen stedelijk en landelijk gebied beter te benutten;
  • versterking van de basis groenstructuur;
  • een goede informatievoorziening en promotie van het recreatieve en toeristische voorzieningenaanbod in Houten.

Deelgebied Eiland van Schalkwijk

Hoofddoelstelling voor het Eiland van Schalkwijk is een robuust groen en waterrijk, recreatief aantrekkelijk gebied te ontwikkelen, met een belangrijke publieke functie en toegankelijkheid. Recreatie en toerisme moet één van de nieuwe economische dragers gaan worden in het gebied. In de basis gaat het om recreatief medegebruik van het agrarisch gebied en een betere recreatieve ontsluiting van het gebied.

Restauratie en herontwikkeling van de forten is een belangrijk thema. De forten kunnen (deels) een recreatief-toeristische functie krijgen. De hele Waterlinie is een prachtige, mysterieuze structuur. De Nieuwe Hollandse Waterlinie moet als structuur in zijn geheel (van Muiden tot Biesbosch) meer zichtbaar worden gemaakt. Op het Eiland van Schalkwijk is die kans er, doordat de forten en de relatie met hun omgeving nog intact zijn.

De Lek zou veel beter recreatief benut kunnen worden. Langs de Lek liggen dagrecreatieve terreinen die een opknapbeurt nodig hebben. Ook is er behoefte aan struinnatuur in de uiterwaarden.

Het Eiland van Schalkwijk is landelijk gezien niet uniek, maar de grootte, de gave landschaps- en verkavelingsstructuur en de openheid zijn belangrijke kwaliteiten in een stedelijke regio. Die blijven echter alleen in stand als er iets mee wordt gedaan. De vraag is ook of dat voldoende is om recreanten en toeristen te trekken. Uiteraard moeten de toegankelijkheid en de basisstructuur (voor wandelen en fietsen) goed zijn. De gewenste brug over het kanaal tussen Houten-zuid en het Elpad op het Eiland zou de toegankelijkheid een stuk verbeteren. Ook het geplande recreatief transferium bij de A27 (Linieland) draagt hieraan bij. Het Eiland is zowel een gebied voor dagrecreatie als voor verblijfsrecreatie. Vooral aan dat laatste schort het nog wel. Er is ruimte om hiermee wat te doen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0002.png"

Figuur 2.1 Uitsnede kaartblad 3 Visie Recreatie en Toerisme

Conclusie

Het bestemmingsplan is een consoliderend plan. Ontwikkelingen voortvloeiende uit de Visie Recreatie en Toerisme worden daarbij alleen meegenomen als de haalbaarheid is aangetoond.

2.4.6 Notitie paardenbeleid (december 2010)

Samenvatting

In december 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders de Notitie Paardenbeleid vastgesteld. De notitie bevat een beleidskader voor hobbymatige paardenhouderijen (maximaal vijf paarden), productiegerichte paardenhouderijen (bijvoorbeeld fokkerijen) en gebruiksgerichte paardenhouderijen (bijvoorbeeld maneges). De ligging van de paardenhouderijen bepaalt in belangrijke mate wat er wel en niet mogelijk is aan voorzieningen. Zo hecht het college veel waarde aan open gebieden in het buitengebied van Houten, zoals de inundatie- en schootsvelden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de polders Vuylcop en Blokhoven.

De notitie wijst vijf deelgebieden aan. Deze deelgebieden hebben, gelet op ligging en ruimtelijke structuur, specifieke bouw- en gebruiksmogelijkheden. Deelgebieden Eiland van Schalkwijk, oeverwal van de Lek en uiterwaarden van de Lek liggen in het plangebied voor onderhavig bestemmingsplan.

Deelgebied Eiland van Schalkwijk

De productiegerichte paardenhouderij is toegestaan op bestaande agrarische bedrijfslocaties (overal) en op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties (VAB) buiten de ‘rode contouren’. Binnen de ‘rode contouren’ is de vestiging van een productiegerichte houderij in verband met overlast voor de omgeving ongewenst, maar op bestaande agrarische bedrijfslocaties, in tegenstelling tot op een VAB, niet te voorkómen.

Vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij mag uitsluitend plaatsvinden op (een deel van) de gronden, gelegen ten oosten van het spoor en tevens ten noorden van het lint van Schalkwijk, buiten de ‘rode contouren’.

De aanwezigheid van de hobbymatige paardenhouderij is overal toegestaan, uitgezonderd in de zogenoemde waardevolle open gebieden. Binnen de ‘rode contouren’ van de linten mag echter geen buitenrijbaan worden gerealiseerd.

Deelgebied Oeverwal van de Lek

De productiegerichte paardenhouderij is toegestaan op bestaande agrarische bedrijfslocaties (overal) en op vrijkomende agrarische bedrijfslocaties (VAB) buiten de ‘rode contouren’. Binnen de ‘rode contouren’ is de vestiging van een productiegerichte houderij in verband met overlast voor de omgeving ongewenst, maar op bestaande agrarische bedrijfslocaties, in tegenstelling tot op een VAB, niet te voorkómen.

Vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij is in dit deelgebied uitsluitend toegestaan op het deel van de oeverwal, dat is gelegen ten noordoosten van (het verlengde van) de Provincialeweg.

De aanwezigheid van de hobbymatige paardenhouderij is overal toegestaan, uitgezonderd in de zogenoemde gebieden, aangeduid met waardevolle openheid. Binnen de ‘rode contouren’ van de kern Tull en ’t Waal is de realisering van een buitenrijbaan echter uitgesloten bij een hobbymatige paardenhouderij.

Deelgebied Uiterwaarden van de Lek

In de uiterwaarden is de oprichting van bouwwerken in principe verboden, waardoor het realiseren van voorzieningen voor de paardenhouderij niet is toegestaan en elke vorm van paardenhouderij dus is uitgesloten. Hierop bestaat één uitzondering, aangezien zich in dit deelgebied één agrarische bedrijfslocatie bevindt. Op deze locatie behoort de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij tot de mogelijkheden. Verder kunnen in de uiterwaarden paarden grazen. Omdat paarden behoefte hebben aan een (kleine) schuilstal, kan het oprichten hiervan wellicht mogelijk worden gemaakt via een ontheffing in een nieuw (toekomstig) bestemmingsplan.

De notitie stelt verder eisen aan de beeldkwaliteiten en (milieu)overlast.

Conclusie

Het bestemmingsplan is een consoliderend plan. Nieuwe paardenhouderijen worden daarbij alleen meegenomen als de haalbaarheid is aangetoond. Paardenbakken zijn binnen het bouwvlak rechtstreeks toegestaan. Voor paardenbakken buiten het bouwvlak, ten hoeve van de bestemming Agrarisch en Wonen – Vrijstaand, is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Als voorwaarde is opgenomen dat paardenbakken landschappelijk ingepast dienen te worden.

2.4.7 Archeologiebeleid

Samenvatting

Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. De Gemeente Houten heeft hiertoe een archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende en vermoedelijke archeologische vindplaatsen en terreinen staan weergegeven. De kaart vormt een instrument voor het omgaan met archeologische waarden binnen de ruimtelijke planvorming.

Verder stelt de Wamz 2007 dat gemeenten archeologieparagrafen moeten opnemen in bestemmingsplannen. Houten heeft middels het paraplubestemmingsplan Archeologie antwoord gegeven op deze verplichting. Het doel hiervan is om het 'bodemarchief' zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven.

In het plangebied zijn alle vijf categorieën archeologische waarden aanwezig;

  • 1. Wettelijk beschermd archeologisch monument.
  • 2. Gebied of terrein van archeologische waarde.
  • 3. Gebied met een hoge archeologische verwachting.
  • 4. Gebied met een gematigde archeologische verwachting.
  • 5. Gebied of terrein met lage of geen archeologische verwachting of gedeselecteerde gebieden.

Conclusie

Ter bescherming van de archeologische waarden worden voor de gebieden 1 t/m 4 een dubbelbestemming opgenomen in het bestemmingsplan.

2.4.8 Bereikbaarheidsvisie (8 november 2011)

Samenvatting

De gemeenteraad heeft op 8 november 2011 de bereikbaarheidsvisie vastgesteld. In deze visie staan ambities op het gebied van verkeer en vervoer en mobiliteit voor de langere termijn. De Bereikbaarheidsvisie wordt een 'Mobiliteitsplan Nieuwe Stijl' met accenten op:

  • de gewenste bereikbaarheidskwaliteit;
  • de keuzemogelijkheden die doelgroepen hebben bij het maken van verplaatsingen en de wijze waarop deze keuzes beïnvloedbaar zijn;
  • de wijze waarop het mobiliteitsbeleid bijdraagt aan de doelstellingen van andere beleidsvelden.

De Bereikbaarheidsvisie geeft aan wat de gemeente Houten de komende jaren wil bereiken: de ambities en doelstellingen. Het staat niet op voorhand vast dat alle ambities realiseerbaar zijn. Samenwerking met andere partijen en voldoende financiële middelen zijn een voorwaarde.

Het opstellen van de Bereikbaarheidsvisie vindt plaats vanuit verschillende invalshoeken:

  • Mobiliteit is geen doel op zich (behalve als sport- of recreatieactiviteit). Mobiliteit dient altijd een doel: het verrichten van een activiteit. Het mobiliteitsbeleid heeft daarom een directe relatie met andere beleidsvelden (bijvoorbeeld wonen, werken, economie, recreatie).
  • Mobiliteit is hoorbaar, zichtbaar en voelbaar: geluid en emissie zijn verbonden aan mobiliteit. Mobiliteit heeft een relatie met milieu, omgevingskwaliteit en verkeersveiligheid.
  • Mobiliteit is een energiegebruiker, zorgt voor CO2–uitstoot en heeft een relatie met het beleid op het gebied van duurzaamheid, energie en klimaat.
  • Het mobiliteitsbeleid is gebiedsafhankelijk. Specifieke gebieden vergen andere bereikbaarheidsvoorzieningen. Differentiatie naar gebiedstypologieën is daarom zinvol.
  • Specifieke omstandigheden, speerpunten en doelgroepen die een afgeleide zijn van de gemeentelijke ambities.
  • Andere (beleids)programma's, zoals duurzaamheid.

Conclusie

Het bestemmingsplan zal niet ingrijpen op de bestaande mobiliteitsstructuur.

2.4.9 Beleidsnotitie Huisvesting (buitenlandse) seizoenswerknemers

Samenvatting

Door ontwikkelingen binnen Europa en binnen de fruitteeltsector bestaat er momenteel een structurele noodzaak aan buitenlandse seizoenswerknemers. De werkgevers hebben een duidelijke behoefte om de huisvesting van deze werknemers te regelen. Dit is bijvoorbeeld van belang in verband met de verzekering en de controle op de werknemers. Middels de beleidsnotitie (2013) geeft de gemeente kaders voor deze huisvesting.

De gemeente is bereid in een aantal situaties medewerking te verlenen aan de huisvesting van seizoensarbeiders. Daarbij maakt zij een onderscheid naar duur van het arbeidsverband, namelijk tussen kortdurende werkverbanden (‘piekwerkers’ / ‘seizoenswerkers’) en langdurige werkverbanden (‘vaste werkers’).

Kortdurend
Onder kortdurende werkverbanden worden verstaan de seizoensarbeid die verricht wordt door piekwerkers (namelijk gedurende maximaal 12 weken). Voor deze situaties wordt volstaan met een meldingsregeling omdat het gezien de korte termijn niet in de rede ligt om hiervoor een planologische procedure te volgen. Er mogen maximaal 35 piekwerkers/seizoenswerkers worden gehuisvest in kampeermiddelen op het perceel van het fruitbedrijf c.q. het agrarisch bedrijf. Dit wordt beschouwd als kampeerterrein in de APV. Hierbij zijn ten hoogste 12 kampeermiddelen toegestaan op een perceel met de bestemming agrarisch bedrijf/fruitbedrijf/glastuinbouw. Uiterlijk 15 december dienen alle kampeermiddelen van het perceel te zijn verwijderd, met dien verstande dat de kampeermiddelen maximaal 12 aaneengesloten weken hebben gestaan .

Langdurig

De gemeente wil de vraag voor tijdelijke huisvesting van seizoensarbeiders faciliteren, mits de opvang op een goede en veilige manier gebeurt. Voor de tijdelijke huisvesting van seizoenswerknemers met langdurige werkverbanden moet planologisch een procedure worden doorlopen. De betreffende ondernemer kan hiervoor een bedrijfsgebouw geschikt maken, het gebruik van kampeermiddelen is niet toegestaan. De gemeente zal op maximaal 20 locaties tijdelijke huisvesting toestaan met een maximum van 15 werknemers per locatie.

Conclusie

Het beleid is vertaald in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Gebiedsvisie

3.1 Inleiding

De visie van de gemeente ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk is vastgelegd in de gemeentelijke Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (december 2011). Dit plan is in een integraal en interactief proces tot stand gekomen en wordt breed gedragen zowel door bewoners als bestuurders. Met deze visie wil de gemeente de markt uitdagen mee te denken en te doen aan de ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk. Daarvoor is de gemeente op zoek naar ondernemers, bewoners en partijen die werk willen maken van een versterking van het eiland. Deze nieuwe ontwikkelingen kunnen een economisch doel dienen (voortbestaan agrarisch bedrijf) maar tegelijkertijd andere doelen dienen zoals ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Daarbij dient in ieder geval aangesloten te worden bij de in de structuurvisie geschetste ontwikkelingsrichting per deelgebied/polder.

In dit bestemmingsplan worden de uitgangspunten van de structuurvisie vertaald naar een juridische regeling. Een groot deel van de uitgangspunten van de structuurvisie is echter kwalitatief van aard. Er wordt in de structuurvisie een gewenste kwalitatieve ontwikkeling van het deelgebied/de polder geschetst. Deze kwalitatieve uitgangspunten zijn moeilijk in bouwregels en/of gebruiksregels te vatten. De uitgangspunten uit de Structuurvisie worden nadrukkelijk meegenomen in de afweging om al dan niet een omgevingsvergunning te verlenen (afwijkingsbevoegdheden) of een wijzigingsbevoegdheid toe te passen.

In dit bestemmingsplan is de ruimte voor ontwikkeling opgezocht. Getracht is regels op te stellen die voldoende flexibiliteit met zich mee brengen, maar die geen onevenredige afbreuk doen aan de waarden van het Eiland van Schalkwijk. Dit betekent dat bij toepassing van de regels vaak een afweging dient plaats te vinden of en op welke wijze de ontwikkeling kan plaatsvinden.

Daarnaast worden er in de Structuurvisie ontwikkelingen genoemd die met dit bestemmingsplan niet mogelijk kunnen worden gemaakt. Daarvoor dienen ontwikkelingen concreet gemaakt te worden en dient te worden onderzocht welke gevolgen deze ontwikkelingen kunnen hebben op de omgeving (bijvoorbeeld milieubelasting). Indien passend binnen de Structuurvisie worden deze ontwikkelingen mogelijk gemaakt met een afzonderlijke planologische procedure.

In dit hoofdstuk worden de inhoudelijke uitgangspunten uit de structuurvisie weergegeven. Deze hangen samen met de ruimtelijke kenmerken van de verschillende deelgebieden. Per deelgebied wordt aangeven wat de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting is. Tot slot wordt uitgelegd op welke wijze deze ontwikkelingsrichting is geborgd in het bestemmingsplan.

3.2 Deelgebieden

In de ruimtelijke hoofdstructuur van het gebied is de historie en ontstaansgeschiedenis nog altijd goed te zien en vormen zij de belangrijke pijlers voor de identiteit van het gebied. In de ontstaansgeschiedenis spelen de rivieren en de landbouw een belangrijke rol. Het resultaat van de verschillende ontginningen is een contrastrijk landschap. De contrasten in het gebied bestaan onder andere uit afwisseling van grootschalige en meer kleinschalige elementen en tussen weidse vergezichten en meer beschutte gebieden. De belangrijkste structurerende elementen van het landschap zijn:

  • de rivier de Lek, de dijk en de uiterwaarden;
  • de grootschalige komgronden (polder Vuylcop, Schalkwijk (gedeeltelijk) en Blokhoven);
  • de oeverwal parallel aan de dijk;
  • de linten;
  • de Nieuwe Hollandse Waterlinie;
  • het Amsterdam-Rijnkanaal.

Op basis van dit landschappelijk casco is het Eiland van Schalkwijk in de structuurvisie opgedeeld in 7 deelgebieden, zie figuur 3.1. In deze paragraaf wordt per deelgebied beschreven wat de gewenste functie en ontwikkelingsrichting in het gebied is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0003.jpg"

Figuur 3.1 Overzicht deelgebieden

3.2.1 Linten Tull en 't Waal en Schalkwijk

Landschappelijke kwaliteit

De linten zijn ontstaan op de voormalige stroomruggen in het gebied en bestaan uit bebouwing op de koppen van de copeverkaveling aan weerszijden van de ontginningslijnen van de Schalkwijkse Wetering en de Waalse Wetering. De bebouwing volgt de lengterichting van de kavel en staat licht gedraaid ten opzichte van de ontginningswegen. Als totaal is het lint lang en gestrekt in een relatief smal profiel.

In de kern van het lint is er een dichtere bebouwing, maar altijd is langs de bebouwing het achterliggende erf, de beplanting en het agrarisch landschap te zien. Dat is een specifieke kwaliteit, en daarmee een ruimtelijke drager van de kern. Meer van de kern van het lint af ontstaat er een meer open bebouwingstructuur, waar het agrarisch landschap af en toe tot aan de weg doorloopt. Hierdoor ontstaat in deze delen van het lint een mooie afwisseling tussen particulier bebouwde kavels en het uitzicht over het agrarische landschap. Door dit contrast is de omgeving tegelijkertijd beschut en weids.

Een andere karakteristieke drager wordt gevormd door de erfbeplanting tussen de bebouwing. De lengterichting van het lint wordt niet ondersteund met groen, maar het groene karakter ontstaat voornamelijk door de inrichting van de private tuinen. Er zijn veel smalle lange particuliere kavels.

Daar waar bomenrijen, houtwallen en singels zijn, volgen die voornamelijk de lengterichting van de copeverkaveling en dus niet de richting van het lint. De gras taluds langs de wetering is (naast het privégroen) het enige openbare groen wat bijdraagt aan de groene uitstraling van het lint.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Linten Tull en 't Waal en Schalkwijk' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie   gebruik   plek   beschrijving
 
Hoofdfunctie   wonen   gerelateerd aan leefbaarheid, met eventuele nevenfuncties   lint   voorzien in lokale behoefte, vooral gericht op starters en ouderen die graag in de kernen willen blijven wonen.  
  werken   gerelateerd aan leefbaarheid, recreatie en landbouw   lint   In de kernen, mits dit past bij de agrarische kern en past binnen de bestaande infrastructuur.  
Nevenfuncties   voorzieningen   gerelateerd aan leefbaarheid   lint   Het huidige voorzieningen- niveau vormt het uitgangspunt voor aanvullende woningbouw.  
  recreatie extensief   pleisterplaatsen, bed- & breakfast, kamperen bij de boer   lint   Gericht op cultuurhistorie; plaatst voor kleinschalige recreatief-toeristische gelegenheden; Wapen van Schalkwijk ontwikkelen tot (boven)lokaal transferium met informatiecentrum.  
  landbouw   bestaande huiskavels   lint   Beperken milieuoverlast agrarische bedrijven en verkeersstromen beperken.  

3.2.2 Komgronden ten noorden van Schalkwijk

Landschappelijke kwaliteit

De hoger gelegen komgronden ten noorden van Schalkwijk kennen een copeverkaveling (110 m breed, 1.250 m lang). Deze komgronden worden aan de noordzijde begrensd door het Amsterdam Rijnkanaal met boombeplanting en aan de zuidzijde door het bebouwde lint van Schalkwijk. Door de iets hogere ligging worden deze komgronden niet alleen gebruikt als weiland maar ook ten behoeve van de fruitteelt. Hierdoor ontstaat een meer beschut gebied ten opzichte van de open komgronden in polder Vuylcop en Blokhoven.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Komgronden ten noorden van Schalkwijk' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie   gebruik   plek   beschrijving
 
Hoofdfunctie   landbouw   veeteelt;
fruitteelt  
geheel gebied   Belangrijkste functie in dit deelgebied.
Ruimte voor schaalvergroting, mits niet strijdig met de leefbaarheid in de linten. Mogelijkheden bieden voor uitplaatsing van agrarische bedrijven uit het lint.
Verbreding kan worden gezocht in combinatie met recreatie, natuur en de productie van duurzame energie, mits nevenfuncties de landbouw niet frustreren en bij voorkeur ondersteunen.  
Nevenfuncties   recreatie intensief   divers aanbod, routes, knooppunt langzaam verkeer   groene poort   Schalkwijkse brug als belangrijke entree. Belangrijk om de openheid in de poortzone te behouden en te beleven.
Ontwikkeling van Wapen van Schalkwijk als (boven)lokaal transferium met informatiecentrum.  
  recreatie extensief   kleinschalig aanbod;
routes voor langzaam verkeer  
oostelijk deel   Nevenfuncties mogen de landbouw niet frustreren en bij voorkeur ondersteunen. Bestaande infrastructuur is maatgevend voor ontwikkelingen.  
  energie   productie biomassa; windenergie   geheel gebied
langs Amsterdam- Rijnkanaal  
Productie duurzame energie door (her)gebruik van mest, gewassen en wind.
Langs Amsterdam- Rijnkanaal kunnen windmolens worden geplaatst, afhankelijk van evaluatie windmolens aan de Veerwagenweg.  

3.2.3 Komgronden ten noorden van Tull en 't Waal

Landschappelijke kwaliteit

De hoger gelegen komgronden ten noorden van Tull en 't Waal kennen een copeverkaveling (110 m breed en 1.250 m lang). Met name de karakteristieke diepe doorzichten over de gehele diepte van de polder tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal zijn een belangrijke ruimtelijke kwaliteit. Het deelgebied wordt in het zuiden begrensd door het bebouwingslint van Tull en 't Waal en in het noorden door de Schalkwijksewetering met bijbehorende karakteristieke wilgenbeplanting en het oostelijke deel van het bebouwingslint van Schalkwijk. Binnen het gebied liggen het Werk aan de Waalsewetering en het inundatiekanaal, karakteristieke elementen uit de Hollandse Waterlinie.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Komgronden ten noorden van Tull en 't Waal' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie
 
gebruik   plek   beschrijving  
Hoofdfunctie   landbouw   duurzaam en verbreed   geheel gebied   Landbouw is en blijft hoofdbeheerder van het landschap. Verbreding kan worden gezocht in combinatie met recreatie, natuur en de productie van duurzame energie, mits nevenfuncties de landbouw niet frustreren en bij voorkeur ondersteunen.  
  recreatie intensief   publiekstrekker; routes voor langzaam verkeer   gekoppeld aan groene poort A27   Veel ruimte voor recreatieve ondernemers, mits initiatieven passen bij een duurzaam eiland.
Ontwikkeling recreatief streektransferium als overstappunt, maar ook met eigen recreatieve aantrekkingskracht.
Vormgeven van de brugfunctie tussen A27 en het eiland.  
Nevenfuncties   recreatie extensief   kleinschalige toevoegingen   oostelijk deel   Door het landschap gedeeltelijk te verdichten, kan het landschap een diversiteit aan recreatieve functies opnemen en kan de belevingswaarde worden versterkt. Daarbij kan gebruikgemaakt worden van de inundatievelden als bouwsteen voor (water)recreatie en/of natuurontwikkeling.  
  natuur   behoud en beperkte versterking   geheel gebied   Het gebied kenmerkt zich door een contrasterend landschap: de openheid van het Linielandschap (inundatie- en schootsveld Werk aan de Waalse Wetering) en de beslotenheid van de fruitboomgaarden en bosschages.  

3.2.4 Polder Blokhoven

Landschappelijke kwaliteit

De polder Blokhoven is totaal circa 7 km2 groot en vormt daarmee de grootste open ruimte op het eiland. Het grootst aaneengesloten oppervlak dat je kunt overzien is 3 km2. De ruimte in Blokhoven (samen met die van de polder Vuylcop) maakt dat het Eiland van Schalkwijk als weids en ruim ervaren wordt. Deze open ruimte is een ruimtelijke drager voor het gehele eiland. De polder Blokhoven bestaat uit hoger en lager gelegen gronden. De hogere gronden zijn geschikt voor fruitteelt en worden deels ook zo gebruikt, er is meer beschutting en opgaand groen. De lagere gronden zijn in gebruik als weidegrond.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Polder Blokhoven' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie
 
gebruik   plek   beschrijving  
Hoofdfunctie   landbouw   duurzaam, verbreed;
veeteelt;
fruitteelt.  
geheel gebied

west-/oostzijde
enkel oostzijde  
Duurzame ontwikkeling door ruimte te geven aan de landbouw in combinatie met de wateropgave, natuurontwikkeling en recreatie.  
  water   waterberging   zoekgebied   Nadere studie naar invulling waterberging. Combinatie met recreatieve en ecologische ontwikkeling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.  
Nevenfuncties   recreatie extensief   beleving linieland   westzijde   Recreatie als nevenfunctie van de landbouw.
Nieuwe bebouwing is alleen mogelijk ter ondersteuning van hoofd- en nevenfuncties.
Realisatie recreatieve verbindingen voor langzaam verkeer.  
  recreatie extensief   genieten van rust   oostzijde   Recreatie als nevenfunctie van de landbouw. Versterking routestructuren en landschappelijke elementen en het zichtbaar maken van cultuurhistorie.
Aan bestaande (monumentale) boerderijen kan een bed & breakfast, horecavoorziening of educatiecentrum worden toegevoegd.  
  natuur   behoud en beperkte versterking   water en oevers   Zoekgebied als foerageergebied voor weidevogels.  
  energie   alternatieve vormen   geheel gebied   Productie duurzame energie door (her)gebruik van mest, gewassen en wind.  

3.2.5 Polder Vuylcop

Landschappelijke kwaliteit

De open ruimte

De polder Vuylcop is een lange smalle polder van circa 3 bij 0,75 km. De langste ononderbroken zichtlijn is circa 4 km. De polder is laag gelegen, is in gebruik als weidegrond en kent een copeverkaveling. De polder ligt laag en was een van de inundatievelden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Samen met de polder Blokhoven draagt polder Vuylcop bij aan het weids en ruim ervaren van het eiland van Schalkwijk Deze openheid is een ruimtelijke drager voor het hele eiland. De openheid is ook van belang voor het ervaren van het weidse en onversneden landschap vanuit de kern Houten.

Het karakter van de bruggen over de Schalkwijkse Wetering, de zogenaamde 'Kippenbrug', vormt door de zekere ronding/boog een karakteristieke drager van de Schalkwijkse Wetering. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het belangrijk dit karakter te behouden en na te streven.

De grenzen van de polder

Houten grenst aan het Amsterdam Rijnkanaal, en kijkt uit over het open landschap van het eiland. Het Amsterdam Rijnkanaal is een duidelijke grens tussen Houten en de polder Vuylcop als open en ruim landelijk gebied. Kenmerkend zijn de bomenrijen langs het Amsterdam-Rijnkanaal en de knotwilgen langs de Schalkwijkse Wetering (de lange randen) die het lage, open land afzomen. De bomen benadrukken de lengterichting van de polder, zijn een scherm tussen de bebouwing van Houten en de polder en vormen een stevige achtergrond voor de stallen en schuren langs de dijk. Aan de westzijde grenst de polder aan het hoge dijklichaam van de snelweg A27. Er is daarmee aan die zijde ook een heldere landschappelijke begrenzing van de polder. Daarachter, op afstand, worden straks de bebouwingscontouren van het bedrijventerrein 't Klooster' zichtbaar.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Polder Vuylcop' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie
 
gebruik   plek   beschrijving  
Hoofdfunctie   landbouw   duurzaam en verbreed   geheel gebied   Landbouw is en blijft economische drager en hoofdbeheerder van het landschap. Verbreding van de landbouw is mogelijk met recreatie, water, natuur en energie. Ruimte voor ontwikkeling, maar behoud van de openheid, de ervaring van de inundatievelden en de afstand tot het stedelijk gebied.
Bebouwing is alleen mogelijk ter ondersteuning van de hoofd- en nevenfuncties. Het toevoegen van woningbouw is uitgesloten.  
  water   waterberging   zoekgebied   Nadere studie naar invulling waterberging. Combinatie met recreatieve en ecologische ontwikkeling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.  
Nevenfuncties   recreatie extensief   langzaam recreatief verkeer   overgang Houten-Tull   Vergroten bereikbaarheid en toegankelijkheid voor wandelaars en fietsers vanuit Houten, waar mogelijk gekoppeld aan cultuurhistorie.  
  natuur   behoud en beperkte versterking     Zoekgebied als foerageergebied voor weidevogels.  
  energie   productie biomassa   grote eenheden   Mits te combineren met de openheid van de polder.  

3.2.6 Oeverwal

Landschappelijke kwaliteit

De oeverwal is de hoger liggende 'afzettingsrug' langs de rivier. Het landgebruik achter de dijk (waterkering) bestaat uit een afwisseling van open cultuurlandschap en opgaande begroeiing (boomgaarden, singels, houtwallen) haaks op de dijk. Boerderijen en woonbebouwing liggen op enige afstand en beneden aan de dijk.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'Oeverwal' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie
 
gebruik   plek   beschrijving  
Hoofdfunctie   landbouw   fruitteelt; veeteelt; duurzaam verbreed.   geheel gebied   Landbouw is de hoofdfunctie. Duurzame en verbrede landbouw krijgt alle kansen voor een toekomstbestendige ontwikkeling. Nevenfuncties, zoals natuur, recreatie, educatie en duurzame energie.
Kleinschalige toevoeging van bebouwing is passend, mits het aansluit op de draagkracht van het cultuurhistorisch landschap en infrastructuur. Eventueel toe te voegen bebouwing dient een bijdrage te leveren aan een duurzame ontwikkeling van het eiland.  
Nevenfuncties   recreatie extensief   pleisterplaatsen routes voor langzaam verkeer   oostelijk deel   Door het landschap gedeeltelijk te verdichten kan het landschap een diversiteit aan recreatieve functies opnemen en kan de belevingswaarde worden versterkt.  
  recreatie intensief   cultuurhistorie, pleisterplaatsen   gekoppeld aan de Nieuwe Hollandse Waterlinie   Het waterlinielandschap dient optimaal beleefbaar en zichtbaar te zijn. De openheid van het landschap en het herkenbaar maken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is leidend bij een ontwikkeling.  
  natuur   behoud en beperkte versterking   geheel gebied   Duurzaam behoud, beheer en ontwikkeling van natuurwaarden en landschappelijke elementen (stepping stones, hagen, houtwallen, weteringen, bosschages).  
  energie   windenergie   langs het Amsterdam-Rijnkanaal   Langs Amsterdam-Rijnkanaal kunnen windmolens worden geplaatst, afhankelijk van evaluatie windmolens aan de Veerwagenweg.  

3.2.7 De rivier de Lek met de rivierdijk en de uiterwaarden

Landschappelijke kwaliteit

De rivier, de uiterwaarden en de dijk vormen de zuidrand van het Eiland van Schalkwijk en zijn de belangrijkste ruimtelijke drager van het rivierenlandschap in dit deelgebied. De circa 6 m hoge dijk biedt uitzicht over het prachtige en karakteristieke rivierenlandschap. Vanaf de dijk heeft men goed zicht op het afwisselende landschap van het eiland en de uiterwaarden. Vanaf het eiland vormt de kronkelende hoge dijk de landschappelijke zuidrand van het eiland met daarachter het verassende landschap van de rivier.

Functie en ontwikkelingsrichting

In de structuurvisie zijn voor het deelgebied 'De rivier de Lek met de rivierdijk en de uiterwaarden' de volgende functies en ontwikkelingsrichting beschreven.

  functie
 
gebruik   plek   beschrijving  
Hoofdfunctie   natuur   toegankelijk en niet toegankelijk   geheel gebied   In het gehele rivierensysteem krijgen natuurwaarden prioriteit. Natuurwaarden behouden en beheren. Ontwikkeling is gericht op het versterken van de EHS en de verbinding met bovenlokale ecologische structuren. Zowel ontwikkeling van ontoegankelijke natuur als struinnatuur en meer toegankelijke natuur.  
Nevenfuncties   recreatie intensief   dagrecreatie   in nabijheid recreatieplassen   Intensieve recreatie op Fort Honswijk en op een drietal 'strandlocaties'.
Bebouwing in de uiterwaarden is uitgesloten.  
  recreatie extensief   routes voor langzaam verkeer   langs de rivier   Gebruik uiterwaarden door wandelaars, fietsers en ruiters. Uitbreiding van routes voor langzaam verkeer.  
  landbouw   extensief, in combinatie met natuurfunctie   in de uiterwaarden   Mag de beschermende functie van de dijk en de uiterwaarden niet aantasten. Bebouwing in de uiterwaarden in uitgesloten.  

3.3 Borging in het bestemmingsplan

In alle beleidsstukken wordt duidelijk dat het Eiland van Schalkwijk wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van grote landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Deze waarden hebben te maken met het ontstaan van het landschap en het grondgebruik. Behoud van de verschillende landschapstypen en daarmee ook de bescherming van de waarden staat in al het beleid voorop.

Ook wordt geconstateerd dat de agrarische bedrijven een belangrijke rol spelen in het behoud van dit landschap. Er worden ontwikkelingsmogelijkheden geboden zodat de agrarische bedrijven kunnen blijven voortbestaan en het behoud van het landschap wordt geborgd.

In het ruimtelijke beleid worden accenten aangebracht voor verschillende delen van het plangebied (zie beschrijving deelgebieden paragraaf 3.2). Duidelijk is het verschil tussen bijvoorbeeld Polder Blokhoven, een groot aaneengesloten weidelandschap, en de komgronden ten noorden van Tull en 't Waal, een contrasterend landschap: de openheid van het linielandschap en de beslotenheid van de fruitboomgaarden en bosschages. Ook het gebied dat wordt gevormd door de rivier, de dijk en de uiterwaarden heeft zijn eigen ruimtelijke en functionele identiteit.

Dit betekent dat het nieuwe bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk moet voorzien in een regeling waarin de gebiedseigen karakteristieken en waarden worden behouden en beschermd en waar nieuwe ontwikkelingen worden afgewogen.

Bescherming landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden

Voor het Eiland van Schalkwijk is er voor gekozen om de waarden op onderstaande wijze te beschermen.

Dubbelbestemmingen

Per deelgebied zoals beschreven in de structuurvisie is een dubbelbestemming opgenomen (Waarde - Landschap). Met deze dubbelbestemming worden de waarden per deelgebied benoemd en bestemd. Dit betekent dat de gronden zijn bestemd voor de functies die ter plekke worden uitgeoefend (Agrarisch, Bedrijf, Wonen), maar tevens zijn bestemd voor het behoud, bescherming en ontwikkeling van de aanwezige waarden. Het is belangrijk om deze waarden in de bestemmingsomschrijving op te nemen omdat zo bij de toetsing van omgevingsvergunningen of wijzigingsbevoegdheden de waarden worden meegewogen in de beslissing voor het verlenen van de vergunning of het toepassen van de bevoegdheid.

Toetsingskader wijzigingsbevoegdheden

In de dubbelbestemming is opgenomen dat wijzigingsbevoegdheden getoetst moeten worden aan de waarden in het betreffende deelgebied. Op deze manier kunnen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, maar dient wel te worden onderzocht of door de ontwikkeling geen onevenredige schade wordt toegebracht aan de in het gebied voorkomende waarden. Het geeft ook aan dat op voorhand nagedacht dient te worden op welke wijze de ontwikkeling wordt vormgegeven. Het Beoordelingskader Eiland van Schalkwijk biedt hiervoor tevens aanknopingspunten.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden

Landschappelijke waarden zoals openheid en het verkavelingspatroon kunnen worden aangetast door het planten van bomen of het dempen van sloten. Vandaar dat er per deelgebied een omgevingsvergunning wordt opgenomen voor werken en of werkzaamheden die de landschappelijke waarden kunnen aantasten. Op deze manier wordt voorkomen dat in de open Polder Blokhoven zonder vergunning bomen geplant kunnen worden en de openheid wordt aangetast.

Daarnaast wordt bijvoorbeeld in de Komgronden ten noorden van Tull en 't Waal het vellen of rooien van houtgewassen aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden gekoppeld om zo de karakteristieke wilgenbeplanting langs de Schalkwijksewetering te beschermen.

Vormgeving bouwvlakken

In dit bestemmingsplan wordt per bestemming een bouwvlak opgenomen. Binnen deze bouwvlakken dient alle bebouwing te worden opgericht. De ingetekende bouwvlakken volgen de richting van het kavel en daarmee het verkavelingspatroon. Nieuwe bebouwing is alleen toegestaan binnen het bouwvlak. Hierdoor blijven bestaande doorzichten naar het achterliggende erf en het open agrarisch landschap behouden.

Ruimte voor ontwikkeling

De waarden van het Eiland van Schalkwijk zijn gevormd door het agrarisch gebruik van de gronden. Als beheerders van het landschap worden aan de agrarische bedrijven ontwikkelingsmogelijkheden toegekend. Voor niet agrarische functies zijn de ontwikkelingsmogelijkheden, mede gezien het provinciale beleid, beperkt. Wel worden in de vorm van nevenfuncties ontwikkelingsmogelijkheden geboden die bijdragen aan de recreatieve ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk. In deze paragraaf wordt ingegaan op de ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische bedrijven.

Bouwvlak

Alle agrariërs hebben een bouwvlak van ongeveer 1,44 ha gekregen. Uit het tafeltjesoverleg dat gevoerd is in maart 2012 is gebleken dat een bouwvlak met deze omvang voor de meeste agrariërs nog voldoende ontwikkelingsruimte biedt. Binnen dit bouwvlak geldt een rechtstreeks bouwrecht tot 1 ha. Voor fruitteeltbedrijven geldt een andere regeling. Voor deze bedrijven geldt dezelfde regeling als in het voorheen geldende bestemmingsplan.

In het bestemmingsplan zijn flexibiliteitsbepalingen opgenomen voor het verruimen van de bouwmogelijkheden. Hierbij dienen de mogelijke effecten van de ontwikkelingen op de omgeving te worden afgewogen.

Neven- en vervolgfuncties

Bij agrarische bedrijven en woningen worden kleinschalige nevenfuncties toegestaan, onder andere op het gebied van recreatie. Dit kan een positieve bijdrage leveren aan het behoud van (agrarische) ondernemers in het gebied als aan de recreatieve ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk.

Gezien de ontwikkelingen in de agrarische sector zal er binnen het Eiland van Schalkwijk ook sprake zijn van bedrijfsbeëindiging en schaalvergroting. Om een oplossing te bieden voor vrijkomende agrarische bedrijven zijn in dit bestemmingsplan mogelijkheden opgenomen voor vervolgfuncties.

Bij het toestaan van deze mogelijkheden worden de waarden van het desbetreffende gebied in de afweging meegenomen, wordt gekeken naar de milieuaspecten en wordt bezien in hoeverre de functie in de omgeving past. Daarbij kan bijvoorbeeld de capaciteit van de bestaande infrastructuur een rol spelen. Bij concrete ontwikkelingen/aanvragen binnen in de planperiode van dit bestemmingsplan wordt de aanvraag/het initiatief in het kader van de structuurvisie behandeld en gefaciliteerd door middel van een aparte planologische procedure.

De ontwikkelingen aan de:

zijn dermate onderbouwd en door het college goedbevonden dat deze ontwikkelingen in dit plan zijn opgenomen en samen met de rest van dit plan de procedure doorlopen.

Hoofdstuk 4 Nadere uitwerking

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de visie voor het Eiland van Schalkwijk voor een aantal relevante onderwerpen en thema's uitgewerkt als opstap naar de vertaling van de visie in regels en verbeelding. Daarbij wordt waar nodig rekening gehouden met de grenzen die het beleidskader, zoals omschreven in hoofdstuk 2, stelt en de voorwaarden die in acht moeten worden genomen op basis van relevante wet- en regelgeving van de sectorale aspecten zoals omschreven in hoofdstuk 3. Ontwikkelingen die strijdig zijn met het ruimtelijk beleid worden niet mogelijk gemaakt of alleen onder voorwaarden. Indien keuzes worden gemaakt die in strijd zijn met dit beleid, wordt dit aangegeven en nader gemotiveerd waarom hier van afgeweken wordt.

4.2 Landbouw

Grondgebruik

De landbouw is de belangrijkste economische drager en beheerder van het agrarische cultuurlandschap. In het plangebied komen de volgende productietakken frequent voor, als solitaire bedrijfsvoering of als onderdeel van een gemengd bedrijf.

Grondgebonden veehouderij

Grondgebonden veehouderij betreft het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond. Onder grondgebonden veehouderij wordt tevens verstaan het houden van schapen en geiten en het fokken van paarden, indien dit (nagenoeg) geheel op open grond plaatsvindt. Paardenhouderijen, maneges en daarmee vergelijkbare bedrijven worden hiertoe niet gerekend.

Akker- en vollegronds tuinbouw

Akker- en vollegrondstuinbouw betreft de teelt van gewassen op open grond. Sier-, fruit- en bollenteelt wordt hiertoe niet gerekend.

Glastuinbouw

Onder glastuinbouw wordt verstaan de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen.

Fruitteelt

Onder fruitteelt wordt verstaan de teelt van fruit op open grond.

Intensieve veehouderij

Intensieve veehouderij betreft de teelt van slacht-, fok-, leg- en pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang, waarbij de teelt niet afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel.

De productietak grondgebonden veehouderij draagt bij aan het behoud en herstel van de kenmerkende natuur- en landschapswaarden van het Eiland van Schalkwijk. Ook komt fruitteelt van oudsher op het Eiland van Schalkwijk voor. Deze functietak is echter niet op het hele eiland gewenst. In de weidegebieden is de openheid juist kenmerkend en is het niet gewenst dat de open weidegronden worden omgezet in fruitboomgaarden. Bestaande fruitteeltbedrijven en fruitboomgaarden zijn positief bestemd. Voor de aanplant van nieuwe fruitteeltbomen in de polders, oeverwal en uiterwaarden dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd.

Spuitzones

Bij de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone die moet worden aangehouden ten opzichte van de gronden waarop gewassen worden gehouden en waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.

De “oude” spuitzoneregeling uit het ontwerpbestemmingsplan, waarbij werd uitgegaan van een gebruiksverbod, is geschrapt. De nieuwe regeling betreft een vergunningstelsel voor nieuw te planten fruitboomgaarden, waarbij de aanvrager dient aan te tonen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor gevoelige functies binnen 50 meter vanaf de nieuwe fruitboomgaard. De regeling is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • de bestaande fruitboomgaarden worden positief bestemd. In Bijlage 3 van de regels is een kaart opgenomen waarop de bestaande fruitboomgaarden binnen het plangebied zijn aangegeven (nulmeting). De inventarisatie van de bestaande situaties (fruitboomgaarden) binnen het plangebied is uitgevoerd op basis van de luchtfoto van maart 2014. Via een verwijzing in artikel 3.7.2 onder d zijn de boomgaarden op deze kaart uitgesloten van de vergunningplicht. In het kader van normaal beheer en onderhoud kan herplant van deze fruitboomgaarden op dezelfde locatie plaatsvinden zonder dat vergunning nodig is, mits dit binnen 1 jaar na het rooien van de fruitboomgaard plaats vindt.
  • de aanvrager kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aantonen door locatiespecifiek onderzoek. Dit onderzoek dient gebaseerd te zijn op de systematiek zoals vastgelegd in het onderzoek van de Universiteit van Wageningen. Zie de paragraaf locatiespecifiek onderzoek.
  • in de begripsomschrijving zijn begrippen opgenomen om duidelijkheid te geven voor gevoelige functies, fruitboomgaarden en locatiespecifiek onderzoek.

Bouwmogelijkheden

Bouwvlak

In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied is met een letteraanduiding de locatie van agrarische bedrijven aangegeven. Met pijlen is de uitbreidingsrichting aangeduid. Voor de bouwmogelijkheden binnen deze pijlen is het volgende in de regels opgenomen:

  • de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van het agrarische bedrijf (inclusief de bedrijfswoning(en) en de daarbij behorende aan- en bijgebouwen) mag maximaal 1 ha bedragen;
  • geen van de zijden van het agrarische bouwvlak mag langer zijn dan 120 m;
  • de bebouwing mag zich uitsluitend in de op de plankaart aangegeven uitbreidingsrichting uitstrekken en mag de bouwgrens niet overschrijden.

In het nieuwe bestemmingsplan wordt aan alle in het plangebied aanwezige agrarische bedrijven een bouwvlak toegekend. De agrarische bouwvlakken worden op de verbeelding van het bestemmingsplan zorgvuldig begrensd. Uitgangspunt daarbij is de vigerende regeling, namelijk een maximum oppervlak van 1,44 ha. Binnen het toegekende bouwvlak mag maximaal 1 ha bebouwd worden. Met uitzondering van gebouwen en koelruimten ten behoeve van de fruitteelt, daarvoor is een specifieke bouwregeling opgenomen afhankelijk van de grootte van de bijbehorende percelen. Alle bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning en overige bijgebouwen, zoals kuilplaten en buitenrijbanen (paardenbakken), dienen binnen het bouwvlak te worden gesitueerd. Ook teeltondersteunende voorzieningen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Wel kan via afwijking een omgevingsvergunning worden verleend voor de realisatie van tijdelijke hoge boogkassen en kuilvoerplaten en sleufsilo's buiten het bouwvlak. Bestaande kassen ten behoeve van een glastuinbouwbedrijf zijn uitsluitend op de daarvoor aangeduide gronden buiten het bouwvlak toegestaan.

Bedrijfswoning

Per bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan tenzij middels een maatvoeringaanduiding anders is aangegeven. Het aantal bedrijfswoningen is gebaseerd op de mogelijkheden in de vigerende bestemmingsplannen. Nieuwe tweede bedrijfswoningen worden in lijn met de Provinciale Verordening Ruimte niet mogelijk gemaakt.

Plattelandswoning

Op 1 januari 2013 is de Wet plattelandswoning (Wpl) van kracht geworden. De regeling voor de plattelandswoning maakt het mogelijk om een bewoning van een agrarische bedrijfswoning door derden planologisch te legaliseren, zonder dat het betreffende agrarische bedrijf daardoor wordt belemmerd in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Het gaat daarbij alleen om het bedrijf waar de woning bij hoorde. Voor de toetsing van ontwikkelingen van andere inrichtingen blijft een plattelandswoning een woning van derden. De plattelandswoning is, ten opzichte van het bijbehorende bedrijf, niet beschermd tegen hinder van geur, geluid of luchtkwaliteit. De Wpl vult daartoe de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan met een artikel 1.1a, waarin de volgende criteria worden gehanteerd:

  • een bestaande of een voormalige agrarische bedrijfswoning;
  • die deel uitmaakt, of voorheen onderdeel uitmaakte van de betreffende landbouwinrichting;
  • waarvoor in het bestemmingsplan, de beheersverordening, het inpassingsplan of een omgevingsvergunning voor afwijken, bewoning door derden is toegestaan.

Het gaat dus om situaties waarbij het agrarisch bedrijf blijft functioneren en de bedrijfswoning door een derde wordt bewoond. De Wpl heeft geen betrekking op voormalige agrarische bedrijven of ingeval van functieverandering. In deze gevallen is immers geen sprake meer van een agrarisch bedrijf.

Voorwaarde voor toepassing van het regime van de plattelandswoning is dat wordt gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. In dit bestemmingsplan wordt het gebruik van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning daarom mogelijk gemaakt door middel van een afwijking. Plattelandswoningen worden voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning'.

Paardenbakken

Paardenbakken zijn rechtstreeks alleen binnen het bouwvlak toegestaan, ook binnen de bestemming Wonen - Vrijstaand. Voor het realiseren van een paardenbak buiten het bouwvlak is een afwijking in het bestemmingsplan opgenomen. De voorwaarden waaronder een paardenbak buiten het bouwvlak is toegestaan zijn:

  • de paardenbak dient gesitueerd te worden direct grenzend aan het betreffende agrarische bouwvlak;
  • indien een paardenbak wordt gerealiseerd ten behoeve van een (bedrijfs)woning binnen de bestemming Bedrijf of Wonen, dient deze gesitueerd te worden op gronden met de bestemming Agrarisch direct grenzend aan het betreffende bestemmingsvlak Bedrijf of Wonen;
  • de paardenbak mag niet voor commerciële doeleinden gebruikt worden;
  • er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  • de omvang van de paardenbak mag niet meer bedragen dan 20 bij 40 m;
  • lichtmasten bij de paardenbak zijn niet toegestaan.

Teeltondersteunende voorzieningen

In het bestemmingsplan wordt een regeling voor teeltondersteunende voorzieningen (TOV's) opgenomen, waarbij een verschil wordt gemaakt tussen de duur van de TOV (permanent of tijdelijk) en de hoogte van de TOV (laag of hoog).

tijdelijk of permanent   laag of hoog   voorbeeld  
Tijdelijk (maximaal 6 maanden per jaar)   laag: < 1,2 m
 
afdekfolies, insectengaas, acryldoek, lage tunnel- of boogkassen  
  hoog: > 1,2 m   hagelnetten, schaduwhallen, wandelkappen  
Permanent (minimaal 6 maanden per jaar)   laag: < 1,2 m   containervelden  
  hoog: > 1,2 m   bakken op stellingen (met regenkappen), teeltondersteunende kassen, hoge tunnel- of boogkassen  
Overig     stellages met en voor regenkappen bij grondgebonden teelt van zacht fruit, boomteelthekken, vraatnetten, palen en masten voor gewasbescherming  

Binnen het bouwvlak mogen alle vormen van teeltondersteunende voorzieningen rechtstreeks gerealiseerd worden. Buiten het bouwvlak zijn alleen lage, tijdelijke TOV's rechtstreeks toegestaan. Voor de realisatie van hoge, tijdelijke TOV's en voor overige TOV's buiten het bouwvlak is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Permanente TOV's zijn buiten het bouwvlak niet toegestaan.

Nieuwvestiging

Onder nieuwvestiging wordt de oprichting van een nieuw of de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf verstaan, waarvoor een nieuw bouwvlak wordt gerealiseerd. De kans op nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf binnen de planperiode is zo goed als uitgesloten. Dit heeft ermee te maken dat in Nederland jaarlijks 2 tot 3% van de agrarische bedrijven stopt. Nieuwvestiging wordt daarom binnen het bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Hiermee wordt tevens een verdere verstening van het landelijk gebied voorkomen.

Schaalvergroting en omschakeling

De productietak grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw wordt gezien als de economische drager en beheerder van het landschap. Om die reden wil de gemeente voor deze productietak nog uitbreidingsmogelijkheden bieden. Via een afwijking kan het bouwvlak van 1,44 ha volledig worden bebouwd. Indien dit nog niet voldoende ruimte biedt, kan via een wijzigingsbevoegdheid het bouwvlak worden vergroot naar 2 ha, daarbij blijft wel het bebouwingsoppervlak van 1,44 ha in stand. De rest van het bouwvlak kan dan gebruikt worden voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en andere voorzieningen zoals kuilplaten en silo's.

Omschakeling naar een andere vorm van bedrijfsvoering is mogelijk als de nieuwe productietak aansluit en past in de visie op het gebied. Dit betekent dat de productietak grondgebonden veehouderij altijd is toegestaan. Omschakeling naar een andere productietak zoals fruitteelt, glastuinbouw of intensieve veehouderij is niet toegestaan.

Verbreding

De landbouw is van groot belang voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het beleid is er daarom uitdrukkelijk op gericht om de bestaande grondgebonden bedrijven zoveel mogelijk te behouden. In de eerste plaats worden hiertoe passende agrarische ontwikkelingsmogelijkheden geboden, rekening houdend met de aanwezige belangen van natuur, landschap en cultuurhistorie.

Om een duurzame ontwikkeling van agrarische bedrijven mogelijk te maken, biedt het beleid ook mogelijkheden om op agrarische bedrijven een niet-agrarische nevenfunctie te ontwikkelen. Niet-agrarische en agrarisch verwante nevenfuncties vormen steeds vaker een wezenlijk onderdeel van een duurzame en toekomstgerichte agrarische bedrijfsvoering. Ook bieden nevenfuncties mogelijkheden voor extra inkomensverwerving en daarmee tot het behoud van agrarische bedrijven. De afname van het aantal agrarische bedrijven kan hierdoor worden vertraagd en het agrarische karakter van de (cultuurhistorisch waardevolle) bedrijfsgebouwen blijft behouden.

Tabel 4.1 Toegestane nevenfuncties

nevenfunctie   max. m² aan bestaande bebouwing in gebruik   max m² aan gronden in gebruik  
Rechtstreeks toegestane nevenfuncties  
verkoop aan huis van streekeigen agrarische producten   100   100  
inpandige opslag en stalling van agrarische producten (meer dan reguliere opslag ten behoeve van eigen bedrijfsvoering)   300   -  
veearts/hoefsmederij/KI-station   100   100  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij)   100   100  
inpandige statische volumineuze opslag en stalling van niet-agrarische producten/werktuigen/ voertuigen in bestaande gebouwen behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, geen detailhandel   300   -  
rondleidingen op het agrarische bedrijf   100   alle bij het bedrijf behorende gronden  
kano-, boot of fietsenverhuur   100   100  
kleinschalige kinderopvang in de bedrijfswoning   -   -  
Toegestane nevenfunctie via afwijking  
veehandelsbedrijf, foeragehandel   300   500  
agrarisch loonbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   300   500  
hoveniersbedrijf behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   300   500  
overige bedrijven behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten   100   100  
dierenpension   200   500  
agrarisch verwante sociale functies (resocialisatie, therapie, zorgboerderij)   200   alle bij het bedrijf behorende ronden  
bed & breakfast/gastenverblijf   100   100  
recreatief nachtverblijf/ kampeerboerderij   100   100  
kleinschalig kamperen tot maximaal 25 kampeermiddelen   200   2500 binnen het bouwvlak  
middelgrote kinderopvang   200   200  
rondleidingen op het agrarische bedrijff (voorzieningen hiertoe als ontvangstruimte)   n.v.t.   alle bij het bedrijf behorende gronden  
galerie/atelier/museum/tentoonstellingsruimte   100   500  
horeca-activiteiten voorzover ten dienste aan de hoofdactiviteit en deze behoren tot de categorieen 1 en 4 van de van deze regels deel uitmakende 'Staat van Horeca-activiteiten   100   500  
rechtsreeks toegestane nevenfuncties (indien geurgevoelig)   zie rechtstreeks toegestane nevenfuncties   zie rechtstreeks toegestane nevenfuncties  

In tabel 4.1 is weergeven welke agrarisch verwante en niet-agrarische functies als nevenfunctie aanvaardbaar zijn, zowel rechtstreeks als via een afwijkingsbevoegdheid. Het wel of niet toestaan van nevenfuncties is mede afhankelijk van het ruimtelijke beleid voor het gebied. De gezamenlijke omvang van de niet-agrarische nevenfuncties moet een ondergeschikt deel (minder dan de helft) blijven vormen van de totale productieomvang van het betreffende agrarisch bedrijf. Om het begrip ondergeschiktheid toetsbaar te maken, zijn waar mogelijk per nevenfunctie maximale oppervlaktematen voor in gebruik te nemen bebouwing en in gebruik te nemen gronden opgenomen. Omdat het vooraf niet met zekerheid is te zeggen welke nevenfuncties in de toekomst worden ontwikkeld, is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen voor nevenfuncties die naar aard, omvang en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn aan de nevenfuncties zoals genoemd in de tabel.

De toelaatbaarheid van nevenfuncties wordt in belangrijke mate bepaald door de effecten die nevenfuncties (kunnen) hebben op hun omgeving. Daarnaast kan de bestaande omgeving ook effecten hebben op de nieuwe nevenfunctie. Het begrip omgeving wordt hier breed opgevat. Zo zijn in de afweging de effecten van nevenfuncties op de volgende aspecten meegewogen bij de toelaatbaarheid:

  • natuur en landschap;
  • het erf;
  • omliggende agrarische bedrijven;
  • de verkeersaantrekkende werking;
  • de woon- en leefomgeving.

Bouwmogelijkheden nevenfuncties

De activiteiten die in de tabel zijn genoemd, dienen zoveel mogelijk binnen het bouwvlak plaats te vinden. Voor zover relevant, is per nevenfunctie aangegeven wat de maximale toegestane oppervlakte is die hiervoor bebouwd c.q. gebruikt mag worden. Door deze maximum maat wordt bewerkstelligd dat de nevenfunctie ondergeschikt is en de ruimtelijke uitstraling beperkt blijft. In het bestemmingsplan worden geen beperkingen opgenomen waar de nevenactiviteiten (bijvoorbeeld uitsluitend binnen hoofdgebouw) uitgeoefend mogen worden. Voorwaarde blijft dat naast de nevenfunctie nog op een volwaardige en duurzame wijze agrarische activiteiten uitgeoefend dienen te worden.

Het kan in de praktijk voorkomen dat agrariërs een combinatie van neventaken bij hun agrarisch bedrijf willen oprichten. Ook dit wordt aan een maximum oppervlak gekoppeld, om het ondergeschikte karakter te waarborgen. Bij een combinatie van nevenfuncties wordt het gebruik van maximaal 300 m² bebouwing en 4.000 m2 aan gronden toegestaan.

Bedrijfsbeëindiging en vervolgfuncties

Gezien de te verwachten ontwikkelingen in de agrarische sector, is het waarschijnlijk dat ook in de komende planperiode een aantal agrarische bedrijven wordt beëindigd. De vrijkomende bedrijfsgebouwen in het plangebied zijn onder andere gewild voor bewoning (woonboerderijen) en niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Deze aantrekkingskracht heeft verschillende oorzaken:

  • goedkope vestigingslocatie (vergeleken met bedrijventerreinen);
  • situering in een landschappelijke en cultuurhistorisch interessante omgeving met de mogelijkheid van landelijk wonen;
  • meer ruimte ('vrijheid') en minder milieubelemmeringen dan in stedelijke gebieden.

Voor het toestaan van vervolgfuncties is het van belang te kijken naar de impact op de landschaps- en natuurwaarden, het aantrekken van verkeer over de wegen in het buitengebied en parkeer- en milieuaspecten. Om ongewenste situaties te voorkomen voeren het Rijk en de provincie een terughoudend beleid ten aanzien van functies die niet thuishoren in het buitengebied.

Om tegemoet te komen aan de behoefte om passende vervolgfuncties mogelijk te maken, zijn mogelijkheden opgenomen voor niet-agrarische vervolgfuncties na beëindiging van agrarische bedrijven. In tabel 4.2 opgenomen, waarin staat aangegeven welke vervolgfuncties wenselijk zijn.

Tabel 4.2 Toegestane vervolgfuncties

Vervolgfunctie  
veehandelsbedrijven, foeragehandel  
agrarische handels- en exportbedrijf  
agrarisch loonbedrijf  
inpandige opslag en stalling van agrarische producten in de bestaande bebouwing  
veearts/hoefsmederij/KI-station  
ambachtelijke be- en verwerking van agrarische producten (kaasmakerij, imkerij, riet- en vlechtwerk, klompenmakerij)  
hoveniersbedrijf in categorie 1, 2 en 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
overige bedrijven in categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
huisdierenpension/hondenfokkerij  
sociale functie (resocialisatie, therapie, zorgboerderij)  
inpandige statische volumineuze opslag en stalling van niet agrarische producten/werktuigen/voertuigen in bestaande bebouwing, behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten  
horeca-activiteiten behorende tot de categorieën 1 en 4 van de Staat van Horeca-activiteiten  
galerie/atelier/museum/tentoonstellingsruimte  
dagrecreatieve functies met een directe link met het landelijk gebied (zoals een kinderboerderij, poldersport, excursiebedrijf, boerengolf, survivalactiviteiten  
dierenpension  
kampeerboerderij  
recreatief nachtverblijf  

Via planwijziging kan de bestemming Agrarisch worden gewijzigd in een passende bestemming, waarbij op de plankaart de bouwaanduiding 'voormalige bedrijfsbebouwing' (sba-vbb) wordt aangegeven. Nevenfuncties die deel uitmaken van het agrarische bedrijf dat wordt opgeheven kunnen ook als meer zelfstandige voorziening van betekenis voor het plangebied zijn. De blijvende aanwezigheid van deze nevenfuncties zal door middel van een specifieke functieaanduiding op de plankaart en in de regels worden opgenomen. Wanneer voormalige bedrijfscomplexen in gebruik worden genomen voor het wonen, is het ter plaatse uitoefenen van een beroep-aan-huis ook toegestaan (zie regeling genoemd in paragraaf 4.4).

Nieuwbouw ten behoeve van een vervolgfunctie is niet toegestaan. Wanneer bestaande vrijgekomen agrarische bedrijfsgebouwen niet of minder geschikt zijn voor een vervolgfunctie, kan in het kader van een gewenste kwaliteitsverbetering gebruikgemaakt worden van een saneringsregeling. Deze saneringsregeling houdt in dat voormalige bedrijfsbebouwing gesloopt wordt, waarna 50% van het voormalige bebouwingsoppervlak met een maximum van 300 m² teruggebouwd mag worden.

Ruimte voor Ruimte

In de Provinciale Verordening Ruimte (PVR) is een Ruimte voor Ruimte-regeling opgenomen die het mogelijk maakt buiten de bebouwingscontouren nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken.

Op basis van deze Ruimte voor Ruimte-regeling mogen ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, kassen of andere gebouwen dan wel sanering van sierteelt onder voorwaarden één of meerdere compensatiewoningen worden gebouwd.

Daarbij gelden de volgende voorwaarden:

  • alle bedrijfsgebouwen dienen gesloopt te worden, met dien verstande dat monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet mogen worden gesloopt;
  • de wijzigingsbevoegdheid mag uitsluitend worden toegepast indien het agrarisch gebruik beëindigd is en is aangetoond dat op het betreffende perceel het uitoefenen van een agrarisch bedrijf niet meer mogelijk is;
  • de functie wonen dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn; er mogen geen beperkingen voor omliggende, bestaande burgerwoningen, andere gevoelige objecten en (agrarische) bedrijven optreden (dit betreft zowel de bestaande bedrijfsvoering als de uitbreidings- en ontwikkelingsmogelijkheden);
  • indien 1.000 tot 2.500 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mag er één nieuwe woning worden gebouwd;
  • indien 2.500 tot 4.000 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mogen er twee nieuwe woningen worden gebouwd;
  • indien meer dan 4.000 m² aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt, mogen er drie nieuwe woningen worden gebouwd;
  • indien 5.000 m² aan kassen wordt gesloopt, mag er één nieuwe woning worden gebouwd;
  • de compensatiewoning wordt voorzien van een goede landschappelijke inpassing;
  • de compensatiewoning dient op het betreffende bouwvlak gebouwd te worden of elders indien dit leidt tot een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit.

4.3 Natuur, landschap en cultuurhistorie

Natuur

Gronden die reeds als natuurgebied zijn verworven en als zodanig worden beheerd worden bestemd als Natuur. Ook gronden waarvoor afspraken over particulier natuurbeheer zijn vastgelegd in een (concept-)notariële akte worden als Natuur bestemd. Binnen deze bestemming kan agrarisch medegebruik en/of extensief recreatief medegebruik mogelijk worden gemaakt. Ter bescherming van de aanwezige waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie, worden de bouwmogelijkheden beperkt en afgestemd op voorzieningen ten behoeve van onderhoud en beheer. Tevens is voor diverse werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning vereist.

Landschap

Op basis van dit landschappelijk casco is het Eiland van Schalkwijk in de structuurvisie ingedeeld in 7 deelgebieden. Deze deelgebieden zijn vertaald naar het bestemmingsplan in 5 zones, namelijk:

  • 1. linten Tull en 't Waal en Schalkwijk;
  • 2. komgronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en 't Waal;
  • 3. polder Blokhoven en Vuylcop;
  • 4. oeverwal;
  • 5. rivier de Lek met de rivierdijk en de uiterwaarden.

Elke zone is gekoppeld aan een dubbelbestemming Waarde - Landschap. In deze artikelen worden ten eerste de belangrijkste ruimtelijke dragers van de betreffende zone beschreven. De ruimtelijke dragers zijn die onderdelen in een zone die dermate karakteristiek zijn dat ze behouden en versterkt dienen te worden. Zij geven een unieke identiteit aan de verschillende zones. Het gaat dan bijvoorbeeld om een dijk, een bomenlaan, de verkavelingsstructuur en de schaal en afwisseling van de bebouwing. Naast de ruimtelijke dragers zijn de ruimtelijke vertrekpunten van belang. Bij de ruimtelijke vertrekpunten wordt aangegeven waaraan initiatieven moeten voldoen wil sprake zijn van een verantwoorde landschappelijke inpassing, gericht op het behoud en waar mogelijk de versterking van de benoemde ruimtelijke dragers.

Cultuurhistorie

De Nieuwe Hollandse Waterlinie neemt een prominente plaats in op het Eiland van Schalkwijk. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is een verdedigingslinie tussen Muiden en de Biesbosch. Maar liefst 85 kilometer lang. Vanaf zo'n 1870 tot en met de Tweede Wereldoorlog werd het gebied bij dreiging onder water gezet om vijanden tegen te houden. Tegenwoordig is de Nieuwe Hollandse Waterlinie een prachtig natuurgebied met forten, groepschuilplaatsen en waterstaatkundige werken. Deels zichtbaar, deels verborgen in het landschap. In 2005 is de Nieuwe Hollandse Waterlinie aangewezen als nationaal landschap. In 2009 kreeg deze de status van Rijksmonument. En sinds 2010 is de linie kandidaat voor de werelderfgoedlijst van Unesco.

Binnen het plangebied zijn de volgende waterlinieobjecten gelegen:

  • Fort Honswijk;
  • Lunet aan de Snel;
  • Werk aan de Groeneweg;
  • Werk aan de Korte Uitweg;
  • Werk aan de Waalse Wetering.

In het bestemmingsplan blijven deze objecten herkenbaar door de toekenning van de bestemming Maatschappelijk - Fort. Hierbinnen wordt per fort het huidige gebruik en bebouwing geregeld. Voor de bescherming van de waarden van de forten zelf, maar ook van de inundatiegebieden, is een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie opgenomen. De begrenzing van dit gebied is afgestemd op het gebied 'Militair Erfgoed' uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Indien op gronden met deze dubbelbestemming een verzoek voor een afwijking, omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden of een planwijziging wordt ingediend, dient dit verzoek getoetst te worden aan de waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Het verzoek mag de waarden niet onevenredig aantasten.

4.4 Wonen

In het plangebied komen zowel burgerwoningen als (agrarische en niet-agrarische) bedrijfswoningen voor. De bebouwing in het plangebied is hoofdzakelijk geconcentreerd in twee linten; bij Tull en 't Waal en bij Schalkwijk. Daarnaast vormt het oude buurtschap Molenbuurt ook nu nog een bebouwingsconcentratie. In de rest van het Eiland van Schalkwijk komen verspreidliggende losstaande woningen voor.

De betekenis van het buitengebied voor het wonen zal ook in de toekomst groot blijven en waarschijnlijk nog toenemen. Er is veel belangstelling voor wonen in het landelijk gebied (rust, ruimte, groen). Voor een kwalitatief goed woon- en leefmilieu is het van belang dat er voldoende mogelijkheden zijn om de woning en het erf te kunnen moderniseren en aan te passen aan de huidige eisen voor wooncomfort. Om hierop in te kunnen spelen heeft de gemeente besloten om de maximale inhoudsmaat van woningen in het buitengebied te vergroten van 600 m³ naar 660 m³.

Door het bieden van mogelijkheden voor beroep-aan-huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, kunnen de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige bebouwing vergroot worden. In samenhang hiermee zal het ruimtelijk beeld van de bebouwing kunnen veranderen.

Nieuwe woningen worden in het buitengebied niet mogelijk gemaakt. Wel is het wonen mogelijk als vervolgfunctie van vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen en bij toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling. Een toename van de woonfunctie kan tot problemen leiden als de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven hierdoor op grond van sectorale wetgeving (onder andere geurhinder) worden beperkt.

Nevenfuncties

Naast het mogelijk maken van beroep-aan-huis en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, maakt het bestemmingsplan ook nevenfuncties mogelijk bij burgerwoningen. Deze nevenfuncties zullen voornamelijk ontstaan bij woningen waar grote bijgebouwen bij aanwezig zijn, zoals vrijgekomen agrarische bedrijfscomplexen. De stallen en schuren zijn veelal te omvangrijk om als bijgebouw voor een burgerwoning in gebruik te worden genomen. Deze gebouwen komen daarom vaak leeg te staan (met het risico op verpaupering) of worden verhuurd ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten. Voor de regeling is aangesloten bij de regeling voor nevenfuncties bij agrarische bedrijven.

4.5 Niet-agrarisch bedrijven

In het plangebied komen verspreid enkele niet-agrarische bedrijven voor, die behoren tot de categorieën 1 t/m 4 van de bij dit bestemmingsplan behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bestaande niet-agrarische bedrijven die in voorafgaande bestemmingsplannen reeds positief zijn bestemd, worden wederom positief bestemd. Uitgangspunt daarbij is dat het om ruimtelijk-planologische motieven niet noodzakelijk is en om financieel-economische motieven niet haalbaar is om deze bedrijven te verplaatsen naar een bedrijventerrein.

Aanwezige niet-agrarische bedrijven worden bestemd met een algemene bedrijfsbestemming categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Bedrijven die gerekend worden tot een hogere categorie worden specifiek bestemd door middel van een op de betreffende activiteiten toegesneden functieaanduiding. Indien een dergelijk bedrijf vertrekt kan zich ter plaatse uitsluitend een bedrijf uit categorie 1 en 2 vestigen of een zelfde soort niet-agrarisch bedrijf in dezelfde categorie die dan is toegestaan.

Bij een positieve bestemming van bedrijfsactiviteiten geldt voor de uitbreiding van de bebouwing het volgende. Op basis van jurisprudentie kan niet zonder meer worden volstaan met het vastleggen van de bestaande bebouwing. Met het oog op het toekomstperspectief dient te worden getoetst in hoeverre uitbreidingsmogelijkheden kunnen worden geboden. In dit bestemmingsplan wordt daarbij in principe uitgegaan van een uitbreiding van 20% van de bestaande bedrijfsgebouwen binnen het huidige bouwvlak. Deze uitbreidingsruimte heeft uitsluitend betrekking op het bebouwingsoppervlak en niet op het bouwvlak.

Bij algehele bedrijfsbeëindiging wordt het via planwijziging mogelijk gemaakt om de bestemming te wijzigen naar de bestemming Wonen. Daarbij dient, in het kader van de kwaliteitsverbetering, 50% van de bedrijfsbebouwing te worden gesaneerd.

4.6 Recreatie

In het bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt in verblijfsrecreatie en dagrecreatie. Verblijfsrecreatie zijn die vormen van recreatie waarbij minimaal één overnachting plaatsvindt. Onder dagrecreatie wordt recreatief medegebruik, bijvoorbeeld wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën en natuurobservatie verstaan. Daarnaast worden onder dagrecreatie ook voorzieningen verstaan, waarbij geen sprake is van verblijf. Voorbeelden hiervan zijn maneges, paardrijactiviteiten, golf- en veldsport, uitspanningen en attracties, al of niet overdekt (bijvoorbeeld een natuurinformatiecentrum).

Verblijfsrecreatie

In het plangebied is 1 verblijfsrecreatief terrein gelegen, namelijk camping De Kroon aan de Lekdijk 120. Op het terrein mogen 20 stacaravans van elk 50 m2 worden geplaatst. Tevens mag het terrein worden gebruikt voor toeristische kamperen met maximaal 9 kampeermiddelen.

Dagrecreatie

In het plangebied komt een aantal dagrecreatieve voorzieningen voor, namelijk de recreatieterreinen aan de Lek (Heulse Waard, 't Waal - Oost, West en Honswijkerwaarden) en de manege aan de Provincialeweg. Deze worden op basis van de huidige situatie bestemd en met een maatvoeringaanduiding wordt de huidige bebouwing aangegeven. Eind 2013 is de eerste fase van de ontzanding van de Honswijkerplas afgerond. Er is een zwemstrand aangelegd, met een toegangsweg, parkeerplaatsen en ligweiden. Inmiddels is fase twee gestart. Deze fase bestaat vooral uit de ontzanding van het zuidelijk deel van de plas.

Nieuwe dagrecreatieve voorzieningen worden alleen toegelaten als nevenfunctie bij agrarische bedrijven of woningen. Uitbreiding van de bestaande dagrecreatieve voorzieningen, wordt in dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. Indien uitbreiding gewenst of noodzakelijk is, zal hiervoor een afzonderlijke procedure voor moeten worden gevoerd. Op die wijze kunnen alle in het geding zijnde belangen goed worden afgewogen en maatwerk worden geleverd.

Recreatief medegebruik

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat recreatieve ontwikkelingen de agrarische gebruikswaarde van het plangebied zo min mogelijk moet hinderen. Verder dienen recreatieve ontwikkelingen getoetst te worden aan de gevolgen voor natuur en landschap. Gezien de beperkte effecten van recreatief medegebruik van zowel het agrarische gebied als de natuurgebieden, is deze vorm van recreatie in het gehele plangebied rechtstreeks toelaatbaar. Uiteraard is dit mede afhankelijk van de mate waarin eigenaren hun gronden open hebben gesteld voor publiek.

Het realiseren van kleinschalige recreatieve voorzieningen, zoals informatie- en routeborden en een picknickbank, worden in het gehele plangebied rechtstreeks mogelijk gemaakt. Voor de aanleg van verharde paden ten behoeve van het recreatief medegebruik is in natuurgebieden een omgevingsvergunning verplicht gesteld, zodat de draagkracht van de natuur kan worden afgewogen tegen de aanleg van dergelijke paden.

4.7 Windenergie

In de structuurvisie Eiland van Schalkwijk is een zoekgebied voor windenergie opgenomen (zie figuur 4.1 en 4.2). De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft bij de vaststelling aangegeven dat de windmolens aan de veerwagenweg eerst geëvalueerd dienen te worden. In dit bestemmingsplan is dan ook nog geen zoekgebied voor windmolens opgenomen. Er is nog geen omgevingsvergunning ingediend. Als er een omgevingsvergunningsaanvraag wordt ingediend, zal er een separate procedure doorlopen moeten worden, waarin alle omgevingsaspecten aan de orde worden gesteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0004.png"

Figuur 4.1 voorgestelde gewijzigde zoeklocatie mogelijke windmolens - de oeverwal

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0005.png"

Figuur 4.2 voorgestelde gewijzigde zoeklocatie mogelijke windmolens - gronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en 't Waal

4.8 Evenementen

Inleiding

Houten kent verschillende terreinen waarop regelmatig evenementen plaatsvinden. De voornaamste locaties waar evenementen regelmatig in het plangebied voorkomen betreffen recreatieterreinen 't Waal ('t Waal Oost, 't Waal West) en de Heulsewaard, evenemententerrein Spoorlaan en evenemententerrein Schalkwijkseweg (naast de Brandweerkazerne). De evenementen die zich op deze locaties voordoen zijn van uiteenlopende aard, zoals feesten bij wielerwedstrijden, koningsdagviering, dancemuziekfestival (Riverdance), diverse manifestaties, mede afhankelijk van het terrein waar het evenement wordt georganiseerd. Recreatiegebied 't Waal is in mei 2014 uitgebreid met de Honswijkerplas.

Met name de grotere evenementen zorgen voor een grotere belasting van de omgeving. Dit betreft met name geluid, maar ook de verkeersafwikkeling en het parkeren kunnen voor de nodige overlast zorgen. Regulering van evenementen vindt tot op heden plaats via de APV-vergunning en de gemeentelijke beleidsnotitie 'Grote evenementen'. Waar nodig zijn tot op heden hiervoor ontheffingen van het bestemmingsplan verleend. Regulering betekent onder andere dat bij gebruik van geluidsinstallaties ten hoogste toegestane bronvermogens en maximale gevelbelastingen bij nabijgelegen woningen worden voorgeschreven, maar ook regelingen met betrekking tot de verkeersafwikkeling (denk aan het instellen van een tijdelijk één-richting verkeer en calamiteitenroutes), het beschikbaar hebben van voldoende parkeergelegenheid en eventueel vervoer van en naar het station.

Regulering via het APV-spoor blijft voor deze evenementen ook in de toekomst onverkort van toepassing. Daarnaast worden in dit bestemmingsplan regels opgenomen waaraan evenementen die hier worden gehouden dienen te voldoen. Dit omdat deze vorm van gebruik door de gemeente als ruimtelijk relevant wordt aangemerkt, vanwege de effecten voor de omgeving. Daarnaast maakt jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het noodzakelijk de ruimtelijke aspecten van het gebruik van gronden voor evenementen in het bestemmingsplan te regelen.

Voor recreatieterrein 't Waal (inclusief de Honswijkerplas) is overigens in dit plan nog geen regeling voor evenementen opgenomen. Alhoewel de gemeente voortzetting van de huidige situatie aanvaardbaar acht (en de daarbij behorende evenementen zoals deze de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden), zijn op dit moment nog de gesprekken met het Recreatieschap gaande over de definitieve recreatieve invulling van het gebied. Daarnaast geven de reacties van omwonenden op de evenementenregeling zoals deze in het ontwerpplan voor 't Waal was opgenomen aanleiding om - zodra duidelijk is aan welke invulling voor 't Waal het Recreatieschap behoefte heeft - de gevolgen van de beoogde invulling nader te onderzoeken. Bovendien is besloten de beoogde invulling ook aan de bewoners voor te leggen. Al met al wordt het op dit moment te prematuur geacht een evenementenregeling voor 't Waal in dit plan vast te leggen. Dit betekent dat eventuele evenementen die zich de komende periode voordoen, ofwel binnen de kaders van de bestemming Recreatie dienen te passen, ofwel dat moet worden bezien of een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan aanvaardbaar is. In de tussentijd gaat de gemeente aan de slag met een nieuw bestemmingsplan waarin wordt opgenomen aan welke regels evenementen moeten voldoen, als uitkomst van de gesprekken met het Recreatieschap en belanghebbenden.

Bij het formuleren van de voorwaarden voor de verschillende evenementen voor de Heulsewaard, evenemententerrein Spoorlaan en evenemententerrein Schalkwijkseweg zijn de bestaande situatie en het bestaande gebruik zoveel mogelijk uitgangspunt geweest. Bij de in onderstaande tekst genoemde geluidsniveaus is de rekenmethode uit de Handleiding rekenen en meten industrielawaai 1999 gehanteerd; het betreft een vereenvoudigde berekening (worst-case scenario) zonder rekening te houden met afschermende objecten, etc. en waarbij het tussenliggende overgangsgebied als “hard” is bestempeld (minder demping).

Heulsewaard (en 't Waal)

De recreatieterreinen 't Waal en Heulsewaard worden, behalve voor oeverrecreatie, ook regelmatig gebruikt voor diverse activiteiten zoals sport en spel, picknick/barbecue al dan niet voor grote groepen, kinderactiviteiten, feestjes. De gemeente ziet dit als regulier gebruik van deze terreinen voor dagrecreatie. Voor bepaalde activiteiten zal o.a. de hoeveelheid bezoekers, de aard van de activiteit en/of het gebruik van geluidsinstallaties bepalend zijn voor de vraag of de betreffende activiteit als reguliere dagrecreatie of als evenement moet worden aangemerkt. Denk aan een georganiseerde barbecue, een stempelpost voor een fietsroute of een doopdienst. Van belang is dat dergelijk gebruik van de recreatieterreinen tot op heden niet tot problemen heeft geleid. Dit kan dan ook zonder meer onder het nieuwe bestemmingsplan worden voortgezet.

Daarnaast wordt het recreatieterrein 't Waal voor grotere evenementen gebruikt. Zo vindt al vele jaren op het terrein een studenten-introductiekamp plaats, is het dance-event 'Riverdance' een aantal malen op het terrein 't Waal georganiseerd en vinden er dressuur- en menwedstrijden plaats. Dergelijke evenementen versterken de recreatiewaarde van 't Waal en de Heulsewaard en onderstrepen het maatschappelijke belang dat de organisatie van evenementen op de recreatieterreinen met zich brengt.

Zoals hiervoor al ter sprake is gebracht, is ervoor gekozen om voor 't Waal in dit plan nog geen evenementenregeling op te nemen. Dit plan biedt zodoende voor dat terrein geen ruimte voor evenementen. Dit plan staat voor de Heulsewaard wel kleinschalige evenementen toe. Omdat op dit terrein tot op heden geen festiviteiten met geluidsinstallaties zijn georganiseerd, staat dit plan ook voor de toekomst geen evenementen met geluidsinstallaties toe. Activiteiten waarbij sprake is van achtergrondgeluid/muziek worden niet als ruimtelijk relevant aangemerkt. Dit past in principe binnen het normale gebruik van het recreatieterrein.

Het recreatieschap als terreineigenaar heeft een taak bij een goed verloop van evenementen. Dit betreft onder meer het informeren van organisatoren van evenementen over de mogelijkheden, voorwaarden, verkeer- en parkeeropties. Daarnaast speelt het recreatieschap op het gebied van handhaving een belangrijke rol. Zo is er een contactpersoon aangewezen waar de omgeving tijdens het evenement voor eventuele klachten terecht kan.

Het kan voorkomen dat een evenement potentieel tot een verontrusting van beschermde diersoorten kan leiden. Alhoewel op de Heulsewaard slechts een beperkt aantal bomen aanwezig is en gelet daarop het niet aannemelijk is dat zich nesten van jaarrond beschermde vogels op het terrein bevinden, kan zich in theorie in de loop van de tijd een andere situatie voordoen. De gemeente zal om die reden afspraken met het recreatieschap maken over het informeren van organisatoren van evenementen omtrent de vereisten uit de Flora en faunawet (Ffw) en het waar nodig inschakelen van een ecoloog om te bezien of aan de eisen uit de Ffw kan worden voldaan.

Brandweer- en Spoorlaanlocatie

De andere twee locaties in Schalkwijk waar met enige regelmaat evenementen worden gehouden zijn het terrein naast de brandweerpost aan de Schalkwijkseweg (evenementenlocatie Schalkwijkseweg) en het terrein langs het spoor aan de Spoorlaan (evenementenlocatie Spoorlaan).

Ook voor deze twee locaties geldt dat aan de hand van de evenementen die zich de afgelopen jaren op beide terrein hebben voorgedaan een regeling in dit bestemmingsplan is opgenomen. Hierbij is voor de brandweerlocatie een aantal van 11 evenementendagen per jaar toegestaan waarbij op maximaal 7 dagen het gebruik van geluidsinstallaties is toegestaan. Van die 7 mag op maximaal 4 dagen per jaar ook na 23.00 uur gebruik worden gemaakt van geluidsinstallaties (tot uiterlijk 01.30 uur).
Voor de locatie Spoorlaan is het aantal evenementendagen vastgesteld op maximaal 10 per jaar, waarvan maximaal 6 met gebruik van geluidsinstallaties. Daarvan mogen op ten hoogste 2 dagen per jaar ook na 23.00 uur geluidsinstallaties worden gebruikt (tot uiterlijk 01.30 uur).

Het maximum aantal bezoekers van beide locaties is afgestemd op de omvang van de terreinen. Ook hier is het maximale bronvermogen van geluidsinstallaties beperkt. Dat betekent dat - net als voor de recreatieterreinen - een maximum bronvermogen geldt van 103 dB(A) en 118 dB(C). 103dB(A) komt neer op een gevelbelasting van circa 66 dB(A) op een afstand van 20 m vanaf de geluidsinstallatie (in een worstcase scenario, waarbij de geluidsinstallatie tegen de achtertuinen wordt geplaatst). Bij een meer voor de hand liggende locatie van de geluidsinstallatie bedraagt de afstand tot de woningen circa 65 m, waarmee een gevelbelasting van 56 dB(A) wordt bereikt. Gelet op het beperkte aantal dagen waarop zich dit voordoet, wordt deze geluidsbelasting als aanvaardbaar beschouwd. Het plan kent een afwijkingsregeling waarmee - indien geluidsonderzoek aantoont dat dit tot een aanvaardbare akoestische situatie leidt voor nabij gelegen woningen - een maximaal bronvermogen van 120 dB(A) kan worden toegestaan.

Voorts is in dit plan de voorwaarde gesteld dat bij georganiseerde activiteiten die potentieel meer dan 500 bezoekers trekken voorafgaande aan de activiteit moet worden aangetoond op welke wijze het parkeren en de verkeersafwikkeling worden geregeld. Tot op heden is gebleken dat in goed overleg met de organisatoren van de verschillende evenementen voldoende mogelijkheden aanwezig zijn voor parkeren en een afdoende verkeersafwikkeling. Een en ander is sterk afhankelijk van de aard van de activiteit en de verwachte vervoersmodaliteiten van de bezoekers.

Conclusie

Bovenstaande regeling, waarbij per locatie regels zijn gesteld ten aanzien van het soort en de omvang van evenementen, het aantal dagen, de bronvermogens, het parkeren en de verkeersafwikkeling, is gebaseerd op een afweging van de belangen van de omwonenden en het belang van het houden van evenementen. Voor recreatieterrein 't Waal wordt deze afweging in een separaat bestemmingsplan gemaakt.

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Milieu

In deze paragraaf wordt de huidige milieusituatie beschreven, waaronder de geluidshinder, de luchtkwaliteit, de bodemkwaliteit, de milieutoets voor niet-agrarische bedrijven, de milieuhinder van agrarische bedrijven, de externe veiligheid en kabels en leidingen. Vervolgens wordt kort ingegaan op mogelijke toekomstige ontwikkelingen.

5.1.1 PlanMER

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan:

  • kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn;
  • mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura2000-gebieden (het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is noodzakelijk).

De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer- of mer-beoordelingsplichtig. Deze mer-(beoordelings)plicht is afhankelijk van het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. De drempelwaarden zijn opgenomen in de C- en D-lijst bij het Besluit mer.

Planmer-plicht

Het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk biedt ontwikkelingsmogelijkheden aan de agrarische bedrijven. Daarbij gaat het onder andere om ontwikkelingsruimte voor veehouderijen. Door de ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt aan veehouderijen is het mogelijk dat in bepaalde gevallen bij toekomstige uitbreidingen drempelwaarden uit het Besluit mer zullen worden overschreden, waarmee het bestemmingsplan het kader vormt voor mogelijke toekomstige besluiten over mer(-beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is voor het bestemmingsplan Eiland van Schalwijk een planmer-plicht.

Ook is een planmer-plicht vanwege mogelijk significant negatieve effecten op Natura 2000 aan de orde. Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Binnen een straal van 10 km rond het plangebied zijn enkele Natura 2000-gebieden gelegen. Het betreft de gebieden: 'Kolland en Overlangbroek', 'Uiterwaarden Lek', 'Zouweboezem', 'Lingedijk en Diefdijk'. Met name als het gaat om stikstofdepositie kan op vele kilometers afstand sprake zijn van waarneembare effecten als gevolg van de bouwmogelijkheden in de bestemmingsplannen. Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planmer-plicht.

Doel en procedure planMER

Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen in de voorbereiding van in dit geval een bestemmingsplan. Daarbij dient te worden getoetst of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt kan leiden tot ongewenste effecten. Waar relevant dient te worden bekeken op welke wijze negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen worden versterkt).

De planmer-procedure bestaat uit de volgende stappen:

  • 1. openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan;
  • 2. raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER en mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op de reikwijdte en het detailniveau van het planMER;
  • 3. opstellen planMER, uitvoeren onderliggende onderzoeken en doorvertaling in ontwerpbestemmingsplan;
  • 4. terinzagelegging planMER met ontwerpbestemmingsplan (zienswijzen);
  • 5. toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.;
  • 6. vaststelling bestemmingsplan. Het planMER vormt een bijlage bij het bestemmingsplan.

In het voorontwerpbestemmingsplan is een Notitie reikwijdte en detailniveau (Nrd) opgenomen, waarin is beschreven op welke wijze in het planMER de milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt. Hiermee hebben de overlegpartners de mogelijkheid gehad om te reageren op de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. Ook is de Nrd ter inzage gelegd. De Commissie voor de m.e.r. is in de voorfase niet betrokken (een advies van de Commissie voor de m.e.r. over de reikwijdte en detailniveau van een planMER is vrijwillig).

Het planMER (bijlage 4) heeft niet alleen betrekking op het Eiland van Schalkwijk maar ook op 't Goy en omgeving. Het planMER is gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan in procedure gebracht. Naar aanleiding van de toetsing door de Commissie voor de m.e.r. (bijlage 5) is een aanvulling op het planMER opgesteld (bijlage 6). Daarnaast is uit de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan gebleken dat een veehouderij ten onrechte niet is meegenomen in het planMER. Hierop wordt nader ingegaan in bijlage 7.

Resultaten en conclusies planMER

Uit de beschrijvingen en beoordelingen in het planMER blijkt dat effecten van de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk over het algemeen beperkt zijn. Voor vrijwel alle milieuthema's kan zonder meer worden aangetoond dat geen knelpunten ontstaan in relatie tot de wettelijke normen en grenswaarden die vanuit de sectorale toetsingskaders gelden. Waar relevant is in de regels van het bestemmingsplan geborgd dat geen negatieve milieueffecten optreden.

Uit het planMER blijkt verder dat met de zonering die is opgenomen in het bestemmingsplan, de bouwmogelijkheden die daaraan zijn gekoppeld en de voorwaarden en uitgangspunten die daarbij in acht dienen te worden genomen, op een goede manier invulling is gegeven aan het behouden en versterken van de aanwezige landsschappelijke en cultuurhistorische waarden. Lokaal kan sprake zijn van beperkte negatieve effecten, maar op gebiedsniveau leidt het bestemmingsplan niet tot aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden.

Het belangrijkste inhoudelijke aandachtspunt in relatie tot de ontwikkelingsruimte in het bestemmingsplan vormt het thema stikstofdepositie en de gevolgen daarvan voor Natura 2000. Conform het Besluit milieueffectrapportage en jurisprudentie dient bij de effectbeschrijvingen in een planMER uit te worden gegaan van de maximale ontwikkelingsruimte die het bestemmingplan biedt. Uit de passende beoordeling volgt dat bij een maximale invulling van de bouwmogelijkheden uit de bestemmingsplannen Eiland van Schalkwijk en 't Goy en omgeving significante negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. De bouwmogelijkheden voor de veehouderijen zijn daarbij maatgevend. Als gevolg van de overige ontwikkelingen (waaronder neven- en vervolgfuncties) zijn geen relevante effecten op Natura 2000 te verwachten.

Doorvertaling in het bestemmingsplan

Bij een maximale invulling van de ontwikkelingsruimte voor veehouderijen is sprake van een forse toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000 en op de ter plaatse aanwezige verzuringsgevoelige habitattypen. Het volledig uitsluiten van significante negatieve effecten binnen het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk is alleen mogelijk met een ingrijpende aanpassing van de bestemmingsregeling.

Vanuit de uitvoerbaarheid in het kader van de Natuurbeschermingswet is het noodzakelijk om de potentiële ontwikkelingsruimte voor veehouderijen zoveel mogelijk te beperken. Aangezien de bouwvlakken relatief groot zijn, is er voor kunnen gekozen om de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak te laten vervallen. Uit de in het planMER gepresenteerde berekeningsresultaten blijkt dat deze maatregel leidt tot een vergaande beperking van de potentiële emissies. Daarnaast zijn de omschakelingsmogelijkheid van fruitteelt naar grondgebonden veehouderij gescharpt. Ook voor de maatregelen geldt dat de potentiële toename van emissies vanuit het plangebied aanzienlijk wordt beperkt.

Met de voorgenoemde maatregelen worden de effecten weliswaar beperkt maar zijn significante negatieve effecten nog steeds niet uit te sluiten. Ook uitbreiding van bestaande veehouderijen binnen de bouwvlakken kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie. Om significante negatieve effecten volledig uit te sluiten, dienen voorwaarden te worden verbonden aan de bouwmogelijkheden die bij recht worden geboden. Met een emissie-stand-stil kan worden voorkomen dat sprake is van een toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000. Een dergelijk emissie-stand-still betekent niet dat de veehouderijen niet kunnen uitbreiden. Door het toepassen van emissiearme staltechnieken kan sprake zijn van een toename van het aantal dieren zonder dat de emissies toenemen. In het bestemmingsplan wordt bij recht geen toename van emissies toegestaan. Wel is een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van het emissie-stand-still wanneer wordt aangetoond dat geen sprake is van aantasting van natuurwaarden. Het is niet ondenkbaar dat in specifieke gevallen afgeweken kan worden afgeweken van het emissie-standstill zonder dat direct sprake is van een negatief effect op natuurwaarden.

 

5.1.2 weg- en railverkeerslawaai

Het voorliggende bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige ontwikkelingen mogelijk gemaakt zoals woningen. Tevens vinden er geen reconstructies van wegen plaats of worden nieuwe wegen aangelegd. Door het uitblijven van deze ontwikkelingen kan een toetsing aan de Wet geluidhinder achterwege blijven.

5.1.3 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   jaargemiddelde concentratie  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden.

Onderzoek

Huidige situatie

Uit de informatie die beschikbaar is via de Monitoringstool (die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort) blijkt dat de jaargemiddelde concentratie fijn stof in 2011 (als referentiejaar voor de grenswaarde) langs wegen binnen het plangebied onder de 30 µg/m³ ligt. De jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide in 2015 (als referentiejaar voor de grenswaarde) ligt langs de maatgevende wegen in het gehele plangebied onder de 37 µg/m³. Hieruit blijkt dat ruimschoots aan de grenswaarden uit de luchtkwaliteitswetgeving wordt voldaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0006.png"

Figuur 5.1 Fijn stof concentratie in plangebied (monitoringstool)

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0007.png"

Figuur 5.2 Stikstofdioxideconcentratie in plangebied (monitoringstool)

Verwachte ontwikkelingen

Het bestemmingsplan zal slechts ontwikkelingen mogelijk maken die niet of 'niet in betekende mate' bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Hierbij moet gedacht worden aan (kleine) uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bedrijven en het bieden van de mogelijkheid om bij agrarische bedrijven nevenfuncties te realiseren. Het plan heeft dan ook geen relevante gevolgen voor de luchtkwaliteit binnen het plangebied en in de omgeving daarvan. Aangezien de concentraties luchtverontreinigende stoffen ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wlk liggen, leiden de ontwikkelingen uit het bestemmingsplan in geen geval tot een overschrijding van grenswaarden.

Conclusie

De Wlk staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg. Ontwikkelingsmogelijkheden in plan dragen 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Binnen het plangebied is uit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.1.4 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bestaande bodemkwaliteit niet verslechtert. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij bestaande mobiele verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen), zal bij de sanering ook naar de kosteneffectiviteit worden gekeken. Uitgangspunt voor verontreinigingen die zich in het grondwater manifesteren is dat deze beheersbaar zijn en blijven.

Ontwikkelingslocaties

Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/wijzigen van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen die een gevoeliger bodemgebruik tot gevolg hebben, bouwen, graven/ophogen). Dan dient bekeken te worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor het realiseren van de geplande ontwikkeling(en). Bijna altijd is het mogelijk om de bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan daardoor financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Om dit in beeld te krijgen, zal de kwaliteit van de bodem op de ontwikkelingslocaties vastgesteld moeten worden en zal, ingeval de bodemkwaliteit niet aansluit bij de functie, een inschatting van kosten moeten worden gemaakt om de bodemkwaliteit in overeenstemming te brengen met de beoogde (toekomstige) functie. Daarnaast geldt dat de ontwikkelingen een eventueel benodigde aanpak van ernstige gevallen van bodemverontreiniging niet mogen frustreren.

Onderzoek en conclusie

Uit het Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat ter plaatse van het plangebied meerdere historische activiteiten bekend zijn die mogelijk hebben geleid tot bodemvervuiling. Daarnaast zijn langs de Provincialeweg enkele locaties gelegen die in het verleden onderzocht of gesaneerd zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0008.png"

Figuur 5.3 Bodemkwaliteit in het plangebied (www.bodemloket.nl)

Het voorliggende bestemmingsplan is consoliderend van aard. Het is daardoor niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen zal worden bekeken of ter plaatse verontreinigingen bekend zijn of verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden. Indien nodig zal de bodem worden gesaneerd, zodat deze geschikt is voor de nieuwe functie.

5.1.5 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken (dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen opgenomen. Op basis van de circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Wel kan de verantwoordingsplicht voor het GR nog buiten deze 200 m strekken.

Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid (Btev) is de circulaire per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Wegen en Basisnet Water opgenomen in de circulaire.

Onderzoek

Huidige situatie

Risicovolle inrichtingen

Volgens de provinciale risicokaart is binnen het plangebied één risicorelevante inrichting aanwezig. Het gaat hierbij om een inrichting van Defensie aan de Lekdijk 8. Rond Defensie-inrichtingen gelden drie zones: zone A, zone B en zone C. In de tabel is weergegeven wat deze zones inhouden. Ook rond het (buiten het plangebied gelegen) Fort Everdingen dient rekening te worden gehouden met deze A-, B- en C-zones. De C-zone valt over een deel van het plangebied.

Tabel 5.2 Defensiezones

zone   omschrijving  
A   geen bebouwing, geen openbare wegen, spoorwegen of druk bevaren vaarwegen, geen recreatieterreinen  
B   geen bebouwing waarin zich personen kunnen bevinden, geen drukke openbare wegen, geen recreatieterreinen, wegen met beperkt verkeer toegestaan, evenals dagrecreatie  
C   geen gebouwen met vlies- of gordijngevelconstructie, geen gebouwen met zeer grote glasoppervlakten, waarin zich als regel een groot aantal personen bevindt, geen bedrijven die bij calamiteit gevaar voor munitieopslag of omgeving opleveren  

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0009.png"

Figuur 5.4 Uitsnede risicokaart

Buiten het plangebied, aan de overzijde van het Amsterdam Rijnkanaal zijn drie windturbines geprojecteerd. De veiligheidscontouren van deze windturbines vallen binnen het plangebied. Binnen deze contouren wordt de vestiging van nieuwe kwetsbare objecten uitgesloten. Aangezien de contouren alleen over het water van het Amsterdam Rijnkanaal vallen, leidt dit niet tot belemmeringen.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In het noordwestelijke deel van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg A27 (wegvak U7 knooppunt Lunetten-knooppunt Everdingen). De veiligheidszone van de weg is 10 m, omdat de weg breder is dan 10 m is deze niet buiten de weg gelegen. Er is sprake van een plasbrand aandachtsgebied van 30 m rondom de weg. Er is in de huidige situatie geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR.

Over het Amsterdam Rijnkanaal vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Op grond van het Btev dient rekening te worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 25 meter aan weeszijden van deze route. Het bestemmingsplan biedt geen bouwmogelijkheden binnen dit plasbrandaandachtsgebied. Voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam Rijnkanaal geldt dat het Basisnet Water stelt dat geen GR berekening hoeft te worden uitgevoerd c.q. verantwoording hoeft te worden afgelegd als de personendichtheid niet meer is dan 1.500 pers/ha dubbelzijdig en 2.250 pers/ha enkelzijdig. Het GR ligt in dat geval beneden 0,1 maal de oriënterende waarde. In het plangebied ligt de personendichtheid onder de genoemde aantallen en blijft daarmee onder de grenswaarde, waardoor er geen verantwoording noodzakelijk is.

Ook over de spoorlijn die het plangebied doorsnijdt vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Uit de gegevens die beschikbaar zijn in het kader van het Basisnet Spoor blijkt dat geen sprake is van een PR 10-6-contour en/of plasbrandaandachtsgebied. Figuur 5.5 geeft een overzicht van de hoogte van het groepsrisico na in werking treden van het Basisnet. Hieruit blijkt dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied ruimschoots onder de oriëntatiewaarde is gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0010.png"

Figuur 5.5 Resterende groepsrisico's na in werking treden van het Basisnet Spoor (bron: Eindrapportage Werkgroep Basisnet Spoor)

Verwachte ontwikkelingen

Het bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een relevante toename van de personendichtheden in het gebied en daarmee tot een toename van het GR.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.1.6 Geurhinder agrarische bedrijven

Activiteitenbesluit

Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wet geurhinder en veehouderij, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee).

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat een beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:

  • voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een waarde (maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;
  • voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten;
  • daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen in een niet-concentratiegebied.

Tabel 5.3 Geldende waarden/afstanden veehouderijen

    niet-concentratie- gebied   afstand buitenzijde dierenverblijf tot buitenzijde geurgevoelig object  
binnen bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 2 ouE/m³   min 50 m  
  andere diercategorieën   min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object   min 50 m  
buiten bebouwde kom   diercategorieën Rgv   max. 8 ouE/m³   min 25 m  
  andere diercategorieën   min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object   min 25 m  

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied is een aantal agrarische bedrijven, zoals grondgebonden veehouderijen en intensieve veehouderijen, gelegen. In het planMER is uitgebreid ingegaan op de gevolgen van de ontwikkelingsruimte voor agrarische bedrijven en de afstemming met milieugevoelige functies. Uit de resultaten blijkt dat op het vlak van geurhinder geen knelpunten ontstaan.

5.1.7 Spuitzones agrarische bedrijven

Algemeen

Bij de teelt van gewassen (akkerbouw, fruitteelt) moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Dit is een zone die moet worden aangehouden ten opzichte van de gronden waarop gewassen worden geteeld en waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. De zone is bedoeld om voor omliggende gevoelige functies een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.

Wet- en regelgeving

Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) bevat een toelatingsstelsel voor het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Voor de toelating voorziet de Wgb in een College van toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Dit college toetst of middelen voldoen aan de criteria voor onder andere menselijke gezondheidsrisico's, water-, milieu- en natuurschade. De menselijke gezondheidsrisico's worden ingeschat voor toepassers, werkers in het gewas, beroepsmatig omstanders en passanten, omwonenden van kassen en consumenten. Omwonenden en passanten van percelen waarop deze middelen gebruikt worden liften ten dele mee op de begrenzing van de risico's voor de eerder genoemde groepen. Er is echter geen wet- en regelgeving die voorziet in de specifieke bescherming van omwonenden en passanten.

Het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling bevatten voorschriften voor het telen van gewassen in de open lucht en de bescherming van oppervlaktewater. Ze bevatten onder andere eisen aan de veldspuitapparatuur, eventueel te gebruiken emissieschermen, vanggewas en de windsnelheid tijdens de toepassing, en te hanteren teeltvrije zones tussen een gewas en een wateroppervlak. Op grond van de Waterwet is het bovendien verboden om “stoffen te brengen in een oppervlaktewaterlichaam”.

Uit het Nederlands Actieplan duurzame gewasbescherming (NAP) volgt een inspanningsverplichting om 75% driftreductie op het hele perceel te realiseren. Hierbij zijn in de eerste plaats het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties aan zet. De rol van de overheid is vooral faciliterend en stimulerend. Van gemeenten wordt verwacht dat zij een goede ruimtelijke scheiding aanbrengen tussen een agrarische en een woonbestemming.

Uit de Tweede nota duurzame gewasbescherming 2013-2023 volgt vervolgens dat gestreefd wordt naar geïntegreerde gewasbescherming, waardoor (door een combinatie van middelen) het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt kan worden. Alle professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen moeten dit vanaf 2014 toepassen; van de agrarische sector wordt gevraagd om telers te stimuleren om de belangen van omwonenden en passanten zwaarder te laten wegen in de afweging om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.

Jurisprudentie

In de afgelopen jaren is de nodige jurisprudentie gevormd ten aanzien van spuitzonering in relatie tot bestemmingsplannen. Hieruit is de zogenaamde “vuistregel” ontstaan die een richtafstand van 50 meter aangeeft tussen agrarische gronden met fruitteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies, zoals woningen.

Daarnaast maakt de jurisprudentie ook steeds meer duidelijk hoe de zone van 50 meter bepaald moet worden en hoe afgeweken kan worden van die richtafstand voor een kortere afstand, met behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Allereerst is de uitspraak van de Raad van State in een beroepszaak in de gemeente Houten van belang; deze heeft betrekking op het bestemmingsplan Laagraven-Oudwulverbroek. Uit die uitspraak (201308924/1/R2) wordt tevens duidelijk dat voor dat bestemmingsplan:

  • 1. Niet is aangetoond dat het laten voortbestaan van bestaande situaties onaanvaardbaar is;
  • 2. Voor nieuwe fruitboomgaarden niet is aangetoond dat voor omliggende gevoelige functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden;

Naar aanleiding van die uitspraak is een herziening opgesteld voor dat bestemmingsplangebied. Deze herziening is medio maart 2015 onherroepelijk geworden. Het voorliggende bestemmingsplan gaat in de basis uit van de regeling in die herziening.

Er zijn op dit moment geen onderzoeken die het actief beëindigen van bestaande situaties (waarbij er binnen de 50 meter wordt gespoten) kunnen verantwoorden. Uit het onderzoek van de Gezondheidsraad (29-01-2014) volgt dat “op basis van de huidige onzekerheid het instellen van spuitvrije zones zowel bepleit als afgewezen kan worden”.

Het bestemmingsplan leent zich ook niet voor het beëindigen van bestaande legale situaties op de korte termijn, aangezien het algemeen overgangsrecht altijd van toepassing zal zijn. Bovendien moet dan aannemelijk zijn dat binnen de planperiode van het bestemmingsplan (10 jaar) de situatie beëindigd wordt. Dit is dan ook de reden dat de ABRvS in de beroepszaak op de eerdere vaststelling van het bestemmingsplan in haar uitspraak heeft aangegeven dat het onder het algemeen overgangsrecht brengen niet is toegestaan, aangezien de levensduur van een fruitboomgaard de planperiode van 10 jaar overschrijdt.

Zoals de gezondheidsraad in haar onderzoek stelt, is het daarnaast een aanzienlijke kostenpost om bestaande situaties actief te beëindigen. Ofwel woningen moeten worden uitgekocht, of fruitboomgaarden binnen de spuitzone zouden moeten worden aangekocht om te saneren. Het is evident dat het maken van een van deze keuzes voor de gemeente in financiële zin niet haalbaar is.

Hierbij dient tevens opgemerkt te worden dat de ABRvS op 12 november 2014 uitspraak gedaan heeft in een beroepszaak op een vergelijkbaar bestemmingsplan in de gemeente Geldermalsen (201306395/3/R2). De gemeente Geldermalsen heeft in dat plan opgenomen dat in nieuwe situaties tussen nieuwe fruitboomgaarden en woningen een afstand gehanteerd moet worden van 50 meter. In de uitspraak staat: Nu het in dit geval gaat om een lang bestaande situatie, is het plan, anders dan [appellant] stelt, derhalve niet vastgesteld in strijd met het gemeentelijk beleid. De raad heeft bovendien gemotiveerd waarom een dergelijke afstandseis niet geldt in bestaande situaties. Hierbij is met name van belang dat de raad, onder verwijzing naar het rapport van de Gezondheidsraad en in reactie op de door [appellant] overgelegde rapporten van Nicure, heeft overwogen dat het belang bij behoud van de bestaande situatie in dit geval dient te prevaleren aangezien niet vaststaat dat de nadelige gevolgen hiervan vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht, waarbij de raad in zijn afweging heeft betrokken dat ook de financiële middelen ontbreken om de bestaande situatie te beëindigen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de belangenafweging van de raad onredelijk is noch dat de motivering geen ruimtelijke relevante argumenten bevat. Het betoog faalt.

Om deze redenen kiest de gemeente Houten er voor om bestaande situaties niet via het bestemmingsplan aan te pakken. Dit betekent dat bestaande fruitboomgaarden positief worden bestemd. Dit houdt wel in dat onderbouwd moet worden dat die boomgaarden passen binnen de nieuwe spuitzoneregeling en daarmee (gaan) voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Voor de onderbouwing op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 8.4 waarin een verwijzing is opgenomen naar de 'Notitie niet vergunde boomgaarden' vastgesteld d.d. 2 juli 2015 (bijlage 12). Uit de notitie blijkt dat in twee situaties binnen het plangebied aanvullende maatregelen getroffen moeten worden om aan die goede ruimtelijke ordening te voldoen. Voor de overige situaties is er geen knelpunt of kan met de uitvoering van het convenant, waarin nadere afspraken worden gemaakt met de sector over het gebruik van driftreducerende technieken (75% driftreductie), het knelpunt opgeheven worden. Door uitvoering van het convenant vindt er bovendien verbetering plaats voor de (bestaande) legale situaties die niet passen binnen het nieuwe beleid.

Daarnaast is in een (tussen)uitspraak op het bestemmingsplan Beusichemseweg 34 b/c (201402301/1/R3), eveneens in de gemeente Houten, verdere duidelijkheid gegeven aan de interpretatie van welke functies als gevoelige functie bestempeld zouden moeten worden in het kader van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Nieuwe regeling

Het voorgaande leidt ertoe dat de “oude” spuitzoneregeling uit het ontwerpbestemmingsplan, waarbij werd uitgegaan van een gebruiksverbod, volledig is geschrapt. Er wordt een “nieuwe” spuitzoneregeling geïntroduceerd. De nieuwe regeling betreft een vergunningstelsel voor nieuw te planten fruitboomgaarden, waarbij de aanvrager dient aan te tonen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor gevoelige functies binnen 50 meter vanaf de nieuwe fruitboomgaard. De regeling is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • de bestaande fruitboomgaarden worden positief bestemd. In Bijlage 3 van de regels is een kaart opgenomen waarop de bestaande fruitboomgaarden binnen het plangebied zijn aangegeven (nulmeting). De inventarisatie van de bestaande situaties (fruitboomgaarden) binnen het plangebied is uitgevoerd op basis van de luchtfoto van maart 2014. Via een verwijzing in artikel 3.7.2 onder d zijn de boomgaarden op deze kaart uitgesloten van de vergunningplicht. In het kader van normaal beheer en onderhoud kan herplant van deze fruitboomgaarden op dezelfde locatie plaatsvinden zonder dat vergunning nodig is, mits dit binnen 1 jaar na het rooien van de fruitboomgaard plaats vindt.
  • de aanvrager kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aantonen door locatiespecifiek onderzoek. Dit onderzoek dient gebaseerd te zijn op de systematiek zoals vastgelegd in het onderzoek van de Universiteit van Wageningen. Zie de paragraaf locatiespecifiek onderzoek.
  • in de begripsomschrijving zijn begrippen opgenomen om duidelijkheid te geven voor gevoelige functies, fruitboomgaarden en locatiespecifiek onderzoek.

Locatiespecifiek onderzoek

Uit de eerder genoemde tussenuitspraak in de beroepszaak van het bestemmingsplan Beusichemseweg 34 b/c wordt tevens duidelijk dat het hanteren van een algemeen onderzoek voor het aantonen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat door de Raad van State niet wordt geaccepteerd, omdat dit niet voldoende ingaat op de locatie van dat bestemmingsplan. Om die reden kiest de gemeente Houten er voor om in de grote buitengebiedplannen voor nieuwe fruitboomgaardenlocatiespecifiek onderzoek te vragen wanneer die binnen 50 meter van een gevoelige functie liggen. Dit onderzoek moet worden opgesteld met inachtneming van de nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld op 2 juli 2015 door de gemeenteraad van Houten.

5.1.8 Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen leidingen gelegen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Wel is er in het plangebied een rioolpersleiding gelegen die planologisch relevant is. Deze leiding wordt op de verbeelding en in de regels opgenomen.

In het plangebied zijn verder geen hoogspanningsleidingen, straalpaden of telecomverbindingen gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.

5.1.9 Milieuhinder niet-agrarische bedrijvigheid

Toetsingskader

Om te kunnen bepalen of de mogelijke milieubelasting van een bedrijf hoog of laag is, wordt veelal gebruikgemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). De SvB is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar toenemende milieubelasting. Deze Staat is gebaseerd op de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Met behulp van een indeling in categorieën wordt aangegeven hoe groot de mogelijke milieubelasting van een bedrijf is.

Voor dit plangebied wordt gebruikgemaakt van de Standaard SvB. Deze SvB geeft met zogenaamde richtafstanden aan in welke milieucategorie een bedrijf valt. Er zijn richtafstanden voor aspecten als gevaar, geluids-, stof- en geurhinder. De genoemde richtafstanden gelden voor het referentiekader van een 'rustige woonwijk'. Zoals ook in de VNG-publicatie is aangegeven en in vaste jurisprudentie is bevestigd, kan voor andere omgevingstypen dan een rustige woonwijk worden afgeweken van deze richtafstanden. Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de SvB wordt verwezen naar Bijlage 1.

Onderzoek

Huidige situatie

De in het plangebied aanwezige niet-agrarische bedrijven (niet zijnde nutsbedrijven) zijn geïnventariseerd en ingeschaald volgens de SvB (zie tabel 5.4 en Bijlage 1). Indien hier in de huidige situatie een bedrijf aanwezig is dat niet binnen de algemene toelaatbaarheid (categorie 1 en 2) past, krijgt dit bedrijf een specifieke bedrijfsaanduiding. Hierdoor zijn de betreffende bedrijfsactiviteiten volgens het bestemmingsplan toegestaan. Bij beëindiging van het bedrijf kan zich hier eenzelfde bedrijf of een bedrijf dat binnen de algemene toelaatbaarheid valt vestigen. Op deze manier worden bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en wordt bij opheffing of bedrijfsverplaatsing voorkomen dat er een hogere milieubelasting kan optreden dan in de huidige situatie mogelijk is.

Tabel 5.4 Bedrijvenlijst

straat   nr.   naam en aard van het bedrijf   S.B.I.-code   categorie  
Brink   1b   garagebedrijf   451, 452, 454   2  
Kaaidijk   11b   loonwerkbedrijf   016.2   2  
Kanaaldijk-Zuid   2   rioleringsbeheer   41, 42, 43   3.1  
Korte Uitweg   2   autobedrijf   451, 452, 454   2  
Lagedijk   2   schilders- en stofferbedrijf   41, 42, 43.3   2  
Lagedijk   2a   architectenbureau   63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82   1  
Lagedijk   22   installatiebedrijf   41, 42, 43.1   3.1  
Lagedijk   29a   lederwaren im- en exportbedrijf      
Lange Uitweg   43/45   onbekend      
Lange Uitweg   27   aannemersbedrijf van grondwerk      
Lange Uitweg   11   groothandelsbedrijf      
Lekdijk   20   atelier      
Lekdijk   18   africhtings- en handelsstal   0143.1   3.1  
Lekdijk   10   loon- en verhuurbedrijf      
Overeind   38   timmerbedrijf   162.1   3.1  
Overeind   41a   hovenier   016.3   3.1  
Overeind   42-43   hovenier   016.3   3.1  
Overeind   56-58   loonbedrijf   016.1   3.1  
Overeind   66-69   import bromfiets- en scooteronderdelen      
Pothuizerweg   4   veevoederbedrijf   1091.5   4.1  
Provincialeweg   12   beveiligingsbedrijf   63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82   1  
Provincialeweg   13   accountantskantoor      
Provincialeweg   14   autobedrijf   451, 452, 454   2  
Provincialeweg   15   onbekend      
Provincialeweg   22b   landbouwmechanisatiebedrijf      
Provincialeweg   28A   schildersbedrijf   41, 42, 43.3   2  
Provincialeweg   40/41   carrosseriebedrijf      
Provincialeweg   53   autobedrijf   451, 452, 454   2  
Provincialeweg   68   autobedrijf   451, 452, 454   2  
Jhr Ramweg   9   siersmederij      
Jhr Ramweg   13   onbekend      
Jhr Ramweg   23   installatiebedrijf      
Jhr Ramweg   36,37,38   opslag      
Jhr Ramweg   42   slijp- en polijsterij      
Schalkwijkseweg   32   brandweerkazerne   8425   3.1  
Scheidingsweg   1   antiekhandel   47   1  
Spoorlaan   3   pro repair voertuigverzorging      
Strijpweg   4b   koel- en fruitsorteerbedrijf   52101, 52109   3.1  
Trip   5   kraanverhuur en loonbedrijf   773   3.1  
Waalseweg   89   transportbedrijf   494.1   3.1  
Waalseweg   88   loon- en verhuurbedrijf   773   3.1  
Waalseweg   78/80   drinkwaterpompstation   36   2  
Waalseweg   62/62a   bouwinstallatiebedrijf   41, 42, 43.1   3.1  
Waalseweg   54   hovenier   016.4   2  
Waalseweg   37   caravanstalling/opslag      
Waalseweg   10a   bouwbedrijf   41, 42, 43.1   3.1  
Waalseweg   10c   metaal, kunststofbewerking   251, 331   3.1  
Wickenburghselaan   79   installatiebedrijf   41, 42, 43.1   3.1  

Verwachte ontwikkelingen

In het bestemmingsplan worden geen nieuwe bedrijfspercelen mogelijk gemaakt. Ook op vrijkomende agrarische bedrijfscomplexen worden geen nieuwe vestigingsmogelijkheden geboden voor nieuwe niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. De aanwezige bedrijven zullen, gegeven de beperkte ruimtelijke mogelijkheden en van toepassing zijnde milieubeleid, niet of nauwelijks in omvang toenemen.

5.1.10 Conclusies

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kunnen ten aanzien van de genoemde aspecten de volgende conclusies worden getrokken:

Luchtkwaliteit

  • De Wlk staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
  • Ontwikkelingsmogelijkheden in het plan dragen slechts 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
  • Ter plaatse van het plangebied is uit het oogpunt van luchtkwaliteitseisen sprake van een goed woon- en leefklimaat.

Bodemkwaliteit

  • Het bestemmingsplan is consoliderend van aard waardoor het niet noodzakelijk is om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen.
  • Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen zal worden bekeken of ter plaatse verontreinigingen bekend zijn of verdachte activiteiten hebben plaatsgevonden. Indien nodig zal de bodem worden gesaneerd, zodat deze geschikt is voor de nieuwe functie.

Externe veiligheid

  • Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
  • De risicovolle inrichting dient samen met de A-, B- en C-zone te worden opgenomen in de regels.
  • De veiligheidscontouren van de windturbines dienen te worden opgenomen in de regels.

Milieuhinder agrarische bedrijven

  • In het bestemmingsplan worden bij recht geen nieuwe gevoelige objecten mogelijk gemaakt binnen de afstanden uit het Besluit landbouw of de Wet geurhinder en veehouderij.
  • Voor spuitzones wordt een passende regeling in de planregels opgenomen.
  • Het aspect milieuhinder door agrarische bedrijvigheid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Milieuhinder niet-agrarische bedrijven

  • Er wordt in het bestemmingsplan gebruikgemaakt van een Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • In de regels wordt vastgelegd dat de aanwezige bedrijven specifiek worden bestemd zodat de bestaande ontwikkelingsmogelijkheden behouden blijven.

5.2 Water

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerders over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerders worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW).
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan.

Waterstructuurvisie Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

In de Waterstructuurvisie is door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden een langetermijnvisie (voor 2050) en een middellangetermijnvisie (tot 2015) ontwikkeld voor een duurzamer waterbeheer voor het beheersgebied. In het plangebied speelt het ontwikkelen van een duurzaam stedelijk waterbeheer. Het gaat dan met name om schoon oppervlaktewater, het zo lang mogelijk vasthouden, infiltreren, afkoppelen van hemelwater en waar mogelijk aanleggen van een verbeterd gescheiden riolering.

Water voorop!, zo luidt de van het Waterbeheerplan 2010-2015 van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. In dit plan staat hoe het Hoogheemraadschap zorgt voor een duurzaam, schoon en veilig watersysteem. Zo'n systeem draagt bij aan een betere leefomgeving van mens, dier en plant. In het waterbeheerplan wordt een overzicht gegeven van:

  • de ambities en doelen voor 2010 tot en met 2015;
  • de maatregelen die nodig zijn om deze doelen te halen.

Het gaat hierbij om de beleidsvelden veiligheid, watersystemen en (afval)waterketen in samenhang met de ruimtelijke omgeving, natuur- en milieudoelen en maatschappelijke en klimatologische ontwikkelingen. Het Hoogheemraadschap zorgt als waterautoriteit voor veilige dijken, droge voeten en schoon water. Kernwaarden bij deze aanpak zijn: duurzaamheid, kwaliteit, resultaatgerichtheid, innovativiteit en efficiency.

Waterplan Houten 2006-2009

Het 'Waterplan Houten 2006-2009' geldt als een parapluplan waarin watergerelateerde plannen, verplichtingen, bestaande waterknelpunten en kansen bij elkaar komen. Het plan geeft aan welke problemen en kansen er liggen op het watergebied en stelt maatregelen voor. Hiertoe zijn een viertal thema's benoemd die door de betrokken partijen belangrijk worden gevonden. Deze thema's zijn:

  • 1. duurzaam en integraal waterbeheer;
  • 2. water als ruimtelijke drager;
  • 3. aantrekkelijk water;
  • 4. samenwerking en communicatie.

Bij wijziging van de functie in gebieden en/of inbreiding en uitbreiding, worden strenge watereisen gehanteerd. Overtollig water moet (rekening houdend met klimaatwijziging) in principe binnen het nieuw te ontwikkelen gebied worden opgelost volgens de kwantiteitstrits: vasthouden-bergen-afvoeren. Voor de stedelijke wateropgave is, naast het oppervlaktewater, ook grondwater, hemelwater en riolering van belang. De opgave is bijvoorbeeld om het grondwaterpeil zoveel mogelijk te handhaven, neerslag vast te houden, verbeterd gescheiden rioolstelsel aan te leggen en hemelwater af te koppelen. Ook zal het waterplan moeten leiden tot een impuls aan de beleving en het beheer van het water in en om Houten. Het behouden en waar mogelijk verbeteren van de ecologische en recreatieve functie van het water wordt hierbij van belang geacht.

In dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de maatregelen zoals deze genoemd zijn in het waterplan. Het waterhuishoudingsbeleid voor het plangebied wordt beschreven in paragraaf 5.2. Tijdens de verdere planontwikkeling zal advies ingewonnen worden bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Beleidslijn grote rivieren

Het uitgangspunt van de Beleidslijn grote rivieren is het waarborgen van een veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Tevens geldt dat het bieden van mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, binnen de randvoorwaarden die de veiligheid stelt, van belang is voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierbed. Voor de Beleidslijn grote rivieren gelden twee concrete doelstellingen:

  • de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed behouden;
  • ontwikkelingen tegen gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.

Binnen het toepassingsgebied van de beleidslijn zal een differentiatie naar deelgebieden leiden tot een onderscheid in twee regimes. Voor activiteiten die onder het 'bergend' regime vallen zullen rivierkundige randvoorwaarden gelden om de effecten op de afvoer- of bergingscapaciteit van het rivierbed volledig te compenseren. Het 'stroomvoerend' regime biedt slechts de mogelijkheid om toestemming te geven aan riviergebonden activiteiten. Niet-riviergebonden activiteiten binnen dit regime zijn alleen mogelijk als er sprake is van het hergebruiken van bestaande gebouwen of als er met rivierverruimingsmaatregelen 'per saldo meer ruimte' voor de rivier wordt geboden.

Richtlijn Vaarwegen 2011 (Rijkswaterstaat)

Op de Lek is de Richtlijn Vaarwegen 2011 van Rijkswaterstaat van toepassing. De Richtlijn Vaarwegen 2011 beschrijft welke ruimte een vaartuig nodig heeft om te kunnen varen en manoeuvreren en welke ruimte in een bocht vrij moet blijven van begroeiing en bebouwing. Wanneer ruimte op de vaarweg resteert en het zicht niet beperkt wordt, kan een ontheffing voor een ligplaats worden afgegeven. De richtlijn heeft geen wettelijke status, maar de provincie hanteert de uitgangspunten van de richtlijn.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (1 oktober 2012)

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is in artikel 2.1.2 een bepaling voor een vrijwaringszone langs rijksvaarwegen. Voor de Lek geldt een vrijwaringszone van 25 m breed. Deze 'vrije ruimte' is een zone die vrij is van bijvoorbeeld bouwwerken en opgaande begroeiing die het functioneren van de vaarweg of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in gevaar brengen. Er zijn twee belangrijke redenen om deze zone van 25 m aan te houden:

  • 1. Calamiteiten: naarmate de afstand tussen de bebouwing en de vaarweg groter is, zal bij calamiteiten het effect op het gebouw en de aanwezigen afnemen. De bebouwingsvrije zone kan tevens een rol vervullen bij bestrijding van de calamiteit en de hulpverlening.
  • 2. Vrij zicht: om de kans op aanvaringen zo klein mogelijk te maken, speelt zicht (visueel of via de radar) een belangrijke rol. Bebouwing op de oever kan het zicht beperken en een negatieve invloed hebben op de radar.

Bij de toetsing van de afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van de bouw van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in het stroomvoerend rivierbed, zal de aanvraag getoetst worden aan deze bepaling uit het Barro.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat uit het Eiland van Schalkwijk en is gelegen ten zuiden van de stad Houten. Het Eiland van Schalkwijk heeft een bijzonder landschap met een eigen karakter. Weidse vergezichten, oude boomgaarden en de Nieuwe Hollandse Waterlinie wisselen elkaar af. Deze landschappelijke kwaliteit biedt kansen voor water.

Een groot deel van het Eiland van Schalkwijk is als agrarisch gebied in gebruik. Eind 2008 kwamen de verantwoordelijke overheden overeen dat in ieder geval tot 2030 geen grootschalige woningbouw zal plaatsvinden op het Eiland van Schalkwijk. Daarmee blijft de landbouw een van de belangrijkste landschappelijke dragers in het gebied. De agrarische sector is daarom een belangrijke partij voor het Waterschap bij het realiseren van een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit jonge rivierkleigrond.

In het plangebied komen de grondwaterstanden II, III, V en VI voor. In de tabel is weergegeven wat deze grondwaterstanden in houden.

Tabel 5.5 Grondwatertrappen

grondwatertrap   GHG   GLG  
II   < 0,4 m   0,5-0,8 m  
III   < 0,4 m   0,8-1,2 m  
V   < 0,4 m   >1,2 m  
VI   0,4-0,8 m   >1,2 m  

De maaiveldhoogte in het plangebied varieert van circa NAP +0,1 m in de polder tot circa NAP +4,3 m in de uiterwaarde en circa NAP +7,1 m op de dijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0011.png"

Figuur 5.6 Bodem en grondwater in plangebied (www.bodemdata.nl)

Waterkwantiteit en -kwaliteit

In het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen voor de afwatering van het gebied. Het plangebied wordt daarnaast aan de zuidkant begrensd door de rivier de Lek en aan de noordkant door het Amsterdam-Rijnkanaal.

Binnen het plangebied ligt een waterlichaam die is aangewezen als KRW-waterlichaam. Het gaat hierbij om de Honswijk, type gebufferde sloten. Langs dit waterlichaam is een zoekgebied voor natuurvriendelijke oevers gelegen.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is deels gelegen in de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering de Lekdijk. In het plangebied zijn ook verschillende regionale waterkeringen gelegen. Het gaat hierbij om de Kanaaldijk-Zuid en de Goyerdijk langs het Amsterdam-Rijnkanaal, de Kaaidijk en de Lagedijk en de waterkering in het westen van het plangebied tussen de Lekdijk en de Kaaidijk.

Daarnaast is in het plangebied de Nieuwe Hollandse Waterlinie gelegen. De Nieuwe Hollandse Waterlinie was een verdedigingslinie waarbij water het wapen was. Als de vijand dichterbij kwam, konden stroken weiland tussen Muiden en de Biesbosch onder water gezet worden. Het land werd daardoor moeilijk begaanbaar voor de vijand. De linie deed dienst van 1815 tot ongeveer 1940.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0012.png"

Figuur 5.7 Keringen en watergangen in plangebied
(http://hdsr.webgispublisher.nl/Webgispublisher/Default.aspx?map=HDSR-Data-Deler)

Primaire watergangen

In het plangebied liggen primaire watergangen. Bij primaire watergangen is een beschermingszone (schouwstrook) van 5 meter, gemeten vanuit de insteek van de watergang, van toepassing. Binnen deze zone is de Keur van het waterschap van toepassing. (Bouw)activiteiten in deze zone zijn niet toegestaan, tenzij het waterschap vergunning heeft verleend. De schouwstrook is bedoeld om het beheer en onderhoud van de watergang vanaf de oever efficiënt en tegen lage maatschappelijke kosten uit te kunnen voeren.

Verwachte ontwikkelingen

Wateragenda Eiland van Schalkwijk

Begin 2012 is het Waterschap aan de hand van de wateragenda Eiland van Schalkwijk, in gesprek getreden met de gebiedspartners op het Eiland van Schalkwijk over water en ruimtelijke ordening in het gebied. Actuele knelpunten in het watersysteem, deadlines voor wettelijke wateropgaven, maar vooral plannen en projecten van gebiedspartners vormen de aanleiding om de Wateragenda op te stellen. Er is hierbij aangegeven welke wateropgaven en toekomstperspectieven het waterschap voor het Eiland van Schalkwijk ziet om het watersysteem duurzaam en klimaatbestendig te kunnen inrichten en beheren.

  • voorkomen van wateroverlast:
    • 1. verbeterde waterafvoer;

De belangrijkste onderwerpen hierbij zijn:

    • 1. Begin 2012 is het Waterschap aan de hand van de wateragenda Eiland van Schalkwijk, in gesprek getreden met de gebiedspartners op het Eiland van Schalkwijk over water en ruimtelijke ordening in het gebied. Er is hierbij aangegeven welke wateropgaven en toekomstperspectieven het waterschap voor het Eiland van Schalkwijk ziet om het watersysteem duurzaam en klimaatbestendig te kunnen inrichten en beheren.
    • 2. tijdelijke inundatie;
  • wateraanvoer:
    • 1. wateraanvoer Waterschap;
    • 2. eigen wateraanvoer;
  • locatiewisseling;
  • gezonde watersystemen:
    • 1. Europese Kaderrichtlijn Water;
    • 2. gezond watersysteem;
  • veiligheid;
  • peilbeheer:
    • 1. optimaliseren huidig watersysteem;
    • 2. optimalisatie diverse functies;
  • afvalwaterketen.

Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een hebben voor het waterbeheer, omdat door toename aan verhard oppervlak een versnelde afvoer van overtollig hemelwater plaats vindt. Er ontstaat dan kans op wateroverlast. Een ruimtelijke watergang, waterkering of rioolpersleiding. Ook een toename van verhard oppervlak kan nadelen ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van planvorming moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten (watertoetsproces). Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en 1000 m2 in landelijk gebied is een Watervergunning nodig. Voor bouwen bij water, waterkering of lozen van water is ook een atervergunning nodig.

Het voorliggende bestemmingsplan is echter hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen zijn gepland. Vanwege de consoliderende aard, biedt het bestemmingsplan weinig of geen mogelijkheden om het watersysteem en -beheer te verbeteren.

Het voorliggende bestemmingsplan is echter hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen zijn gepland. Vanwege de consoliderende aard, biedt het bestemmingsplan weinig of geen mogelijkheden om het watersysteem en -beheer te verbeteren.

Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

'Waterstaat - Waterkering'.

Voor de waterstaatszone (kernzone) van waterkeringen geldt een zogenaamde dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. (Bouw)activiteiten in deze zones zijn niet toegestaan. Voor werkzaamheden in de zone Waterstaatswerk dient een Watervergunning bij het waterschap te worden aangevraagd.

Voor de waterstaatszone (kernzone) van waterkeringen geldt een zogenaamde dubbelbestemming

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.3 Ecologie

In deze paragraaf is een beschrijving opgenomen van de huidige ecologische situatie in het plangebied. In het ontwerpbestemmingsplan worden de conclusies van de toetsing uit de planMER opgenomen.

Toetsingskader

Beleid

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in Utrecht in de provinciale Structuurvisie nader uitgewerkt. De zonering van de EHS is in de in 2013 vastgestelde partiële herziening Provinciaal Ruimtelijke Structuurvisie op onderdelen aangepast.

De provincie beschermt de EHS door middel van het 'nee, tenzij'-principe: de provincie staat geen nieuwe functies toe, tenzij is aangetoond dat ze niet schadelijk zijn voor de natuur.

Normstelling

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zakende volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • d. door de minister van EZ aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • e. door de minister van EZ aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • f. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Provinciale Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000

De provincie is bevoegd gezag voor de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998. De provinciale Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 stelt (extra) technische eisen aan stallen. Ook gelden er voorwaarden aan het salderen van de uitstoot van ammoniak, via een provinciale depositiebank. Uitvoering van de verordening leidt tot een daling van de uitstoot van ammoniak vanuit de veehouderij en geeft duidelijkheid over mogelijkheden voor agrarische bedrijfsontwikkeling.

Natuurwaardenonderzoek

De structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk (2011) geeft planologische duidelijkheid aan het gebied en biedt een toekomstbeeld. Deze visie is gericht op duurzame ontwikkeling van het gebied in samenwerking met alle betrokken partijen. In de structuurvisie Eiland van Schalkwijk staat de volgende ambitie verwoord voor natuur: 'de gebiedseigen natuurwaarden op het eiland te behouden en te versterken op macro- (eilandniveau), meso- (deelgebieden), en microniveau (plekgebonden). Er zijn nieuwe vormen van beheer nodig, waarin nadrukkelijk samenwerking wordt gezocht met private partners.' Tijdens het opstellen van de structuurvisie is opgemerkt dat het inzicht in de huidige natuurwaarden van het Eiland van Schalkwijk nog onvoldoende is.

Hierdoor kon natuur in de visie nog niet voldoende worden verankerd en uitgewerkt. Daarom is er een natuurwaardenonderzoek opgestart dat op dit moment in concept klaar is. De potentiële en actuele natuurwaarden zijn in beeld gebracht en de richting voor ontwikkeling van de natuur zijn aangegeven.

Om richting te geven aan de natuur op het Eiland van Schalkwijk zijn de natuurwaarden geclusterd in zogenaamde natuurlabels. Een natuurlabel is een type natuur dat op het Eiland van Schalkwijk voorkomt. De natuurlabels voor het Eiland van Schalkwijk zijn verbonden aan de landschapstypen die op het Eiland van Schalkwijk voorkomen en indirect aan de natuurwaarden die daarin voorkomen. Dit betreft:

  • 1. Grootschalige komkleigebieden met grasland (natuurlabel Weidevogelnatuur);
  • 2. Het netwerk van sloten en hoofdwaterlopen (natuurlabel Water- en moerasnatuur);
  • 3. Het netwerk van bermen en kades (natuurlabel Natuur van bermen en kaden);
  • 4. Gebieden met een kleinschalige landschapsstructuur, zoals de stroomruggen en de;
  • 5. kleinschalige komgebieden (natuurlabel Natuur van kleinschalig landschap);
  • 6. De dorpen (natuurlabel Dorpsnatuur);
  • 7. De uiterwaarden (natuurlabel Rivieroevernatuur);

De natuurlabels zijn hiermee afgestemd op de landschappelijke indeling Eiland van Schalkwijk (Gemeente Houten, 2011).

Uiteindelijk is er een ecologische visiekaart gemaakt. De Ecologische visiekaart geeft aan waar natuurwaarden in samenhang kunnen worden versterkt en legt de verbinding. De ecologische visiekaart Eiland van Schalkwijk is een instrument om stap voor stap, daar waar zich kansen voordoen, op samenhangende wijze te werken aan natuur. Doet er zich een kans voor (meestal een ruimtelijke ontwikkeling) of ziet een agrariër kansen om natuur in zijn bedrijfsvoering in te passen, dan geeft de kaart richting aan. Gebruik hierbij ook de handvatten voor werken met natuurlabels. In de vorm van factsheets worden handvatten aangereikt waarmee initiatiefnemers praktisch aan de slag kunnen om de natuurwaarden te compenseren of versterken.

Huidige situatie

Soortbescherming

Het open (rivieren)landschap van het Eiland van Schalkwijk herbergt tal van bijzondere natuurwaarden. Deze natuurwaarden hebben zich ontwikkeld in samenhang met het menselijk gebruik van het gebied.

De Lekuiterwaarden herbergen, naast grote groepen overwinterende ganzen, tal van moeras- en watervogels en amfibieën als kamsalamander en rugstreeppad (beide tabel 3 Ffw). De dijkhellingen zijn over grote lengten fraai gekleurd door de zogenoemde stroomdalvegetaties van grasklokjes, margrieten, pastinaak en soms de zeldzame veldsalie (tabel 2 Ffw).

Karakteristiek voor de oeverwallen is de steenuil, een echte cultuurvolger. In de uitgestrekte weiden van de komgronden broeden weide- en akkervogels als grutto en patrijs. 's Winters pleisteren er grote aantallen ganzen en andere wintergasten, wat weer roofvogels als de slechtvalk aantrekt. De sloten herbergen een grote populatie heikikkers (tabel 3 Ffw) en komen beschermde vissen als kleine modderkruiper (tabel 2 Ffw) en bittervoorn (tabel 3 Ffw) voor. In de slootkanten groeien tal van (moeras)planten als geoord helmkruid, zwanenbloem en dotterbloem (tabel 1 Ffw). De Nieuwe Hollandse Waterlinie is van groot belang voor vleermuizen (tabel 3 Ffw). In de forten overwinteren grote aantallen vleermuizen en de landschappelijke structuur biedt een goed leefgebied in de zomer. Vleermuizen komen echter ook elders in het plangebied voor in bebouwing en bomen. De groen- en waterstructuren vormen foerageergebied en migratieroutes. In het plangebied komen ook vaste nesten van broedvogels zoals huismus, gierzwaluw, kerkuil, steenuil, buizerd en slechtvalk voor.

Gebiedsbescherming

De uiterwaarden van de Lek maken grotendeels deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Verspreid door het plangebied liggen nog enkele EHS-gebieden en er zijn enkele ecologische verbindingszones aangewezen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0013.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0014.png"

Figuur 5.8 Ligging EHS (bron: http://webkaart.provincie-utrecht.nl)

In het plangebied is geen Natura 2000-gebied gelegen. In de omgeving van het plangebied liggen echter wel enkele Natura 2000-gebieden. Het betreft:

  • Oostelijke Vechtplassen, ten noordwesten van Utrecht;
  • Kolland en Overlangbroek, net ten oosten van Wijk bij Duurstede;
  • Uiterwaarden Neder-Rijn, ten oosten van Wijk bij Duurstede;
  • Uiterwaarden Lek, ten westen van Lexmond;
  • Zouweboezem, ten westen van Lexmond;
  • Lingedijk en Diefdijk, ten zuiden van Diefdijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0290EVS-VSBP_0015.png"

Figuur 5.9 Ligging Natura 2000-gebieden

In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (Bijlage 3) is een beschrijving van de gebieden opgenomen.

Toetsing

Soortenbescherming

Het bestemmingsplan is actualiserend van aard. Er worden geen concrete ontwikkelingen voorzien. De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

Het bestemmingsplan maakt echter altijd indirect (kleine) ontwikkelingen mogelijk. Hieronder is aangeven waar bij deze mogelijke toekomstige ontwikkelingen rekening moet worden gehouden.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Flora- en faunawet omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Ffw. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedende vogels is verboden. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Flora- en faunawet wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron:www.vogelbescherming.nl).

Voorafgaand aan een ontwikkeling dient nagegaan te worden of sprake is van potentieel leefgebied voor de tabel 2 en 3 soorten en broedvogels met vaste nesten. In dat geval is nader veldonderzoek noodzakelijk. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het onderzoeksseizoen, dat over het algemeen tussen maart en oktober ligt.

Gebiedsbescherming

In het planMER is onderzocht welke effecten de ontwikkelingsruimte die het bestemmingsplan biedt, heeft op beschermde gebieden. Voor een beschrijving wordt verwezen naar het planMER en de tekst in paragraaf 5.1.1.

Conclusie

Met in achtneming van het bovenstaande (bouwstenen voor beleid) en de voorwaarden (onder gebieds- en soortenbescherming) bij toetsing van toekomstige ontwikkelingen, kan geconcludeerd worden dat de Natuurbeschermingswet 1998, het EHS-beleid van de provincie en de Flora- en faunawet geen belemmering vormen voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.4 Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Voor het plangebied zijn op het vlak van landschap en cultuurhistorie diverse nota's en plannen opgesteld. Deze paragraaf bevat een beknopte inhoudelijk weergave van deze documenten. De belangrijkste documenten zijn het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied (LOP) en de Structuurvisie Eiland van Schalkwijk.

Algemeen

Het Eiland van Schalkwijk kent een gaaf cultuurlandschap. Het heeft unieke ruimtelijke kwaliteiten, die waardevol zijn voor het eiland zelf, maar ook voor de omgeving. Zo heeft het eiland sterke landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten. Het eiland kenmerkt zich door fruitteelt en bosschages, maar bovenal kent het eiland uitgestrekte vlakten weidelandschap met een onaangetaste copeverkavelingstructuur uit de 12e en 13e eeuw. Over het eiland loopt een gave lintstructuur met boerderijen, woonhuizen, kleinschalige bedrijvigheid en lokale voorzieningen.

Een groot deel van het eiland is onderdeel van het Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie, tevens Belvederegebied. Een klein deel van de uiterwaarden behoort tot het Nationaal Landschap Rivierengebied, onderdeel van het Belvederegebied Kromme-Rijngebied en Heuvelrug.

Kwaliteitsgidsen

De provincie heeft Kwaliteitsgidsen van de Utrechtse landschappen opgesteld. Twee daarvan zijn van toepassing op het Eiland van Schalkwijk, de Kwaliteitsgidsen Rivierengebied en Linies. Met het uitwerken van de kernkwaliteiten in deze kwaliteitsgidsen geeft de provincie Utrecht antwoord op een aantal vragen. Wat betekenen bijvoorbeeld 'openheid', '(veen)weidekarakter' of 'samenhangend stelsel' eigenlijk? Welke aspecten in het landschap zorgen ervoor dat je de kernkwaliteiten beleeft? Daarbij beperkt de gids zich niet tot wat feitelijk in het landschap zichtbaar is. De kernkwaliteiten zijn in de loop van de tijd in de landschappen ontstaan. Daarom gaat de gids ook in op de gebeurtenissen en menselijke verhalen achter de kernkwaliteiten. Dit geeft meerwaarde aan de kernkwaliteiten en verdiept de beleving ervan. Het doel van de kwaliteitsgids is het concreet maken van de kernkwaliteiten van de Utrechtse landschappen, zodat iedereen begrijpt over welke elementen het gaat. De gids heeft nog een tweede doel. Een landschap is een levend geheel, dat door de jaren heen geleidelijk verandert. Zonder die veranderingen wordt het landschap een museumstuk, het is absoluut niet de bedoeling dat de Nationale Landschappen 'op slot' gaan. Sterker nog: om het landschap vitaal te houden zijn nieuwe ontwikkelingen juist vaak nodig én ze geven kansen om de kernkwaliteiten te verstevigen. Ontwikkelingen kunnen echter vele vormen krijgen. Hoe kunnen ze zó worden geplaatst en vormgegeven dat ze voortbouwen op de landschappelijke kernkwaliteiten? Het tweede doel van de kwaliteitsgids is het bieden van inspiratie en houvast voor het omgaan met ontwikkelingen zodat de kernkwaliteiten voor de toekomst zijn zeker gesteld en zelfs beter beleefbaar worden. 

Nieuwe Hollandse Waterlinie

Binnen de Hollandse Waterlinie neemt het Eiland van Schalkwijk een belangrijke positie in, aangezien dit het enige gebied is waarin het oorspronkelijke ensemble van de verdedigingslinie (inundatiegebieden, schootsvelden, forten, kazematten en waterwerken) nog zichtbaar en gaaf is. Grote delen van de waterlinie zijn beschermd vanuit rijksbeleid.

Kernkwaliteiten nationaal landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie

  • Samenhangend systeem van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen, groen en overwegend open karakter, vrije schutsvelden.

Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie uit het LOP

  • Zichtlijnen op achterliggend landschap.
  • Recreatiemogelijkheden.

Fysieke dragers Belvederegebied

  • De in samenhang met het landschap ontworpen linie, bestaande uit een geheel van inundatiegebieden, dijken, forten, water- en verdedigingswerken en vestingsteden met als belangrijke kenmerken en elementen:
    • 1. de eenheid en openheid van de inundatiegebieden en schootsvelden met verboden kringen;
    • 2. de in verschillende tijden ontworpen verdedigingswerken als forten, batterijen en lunetten en hun samenhang met de omgeving;
    • 3. de in samenhang met de overige onderdelen van de linie ontworpen andere elementen van het verdedigingssysteem zoals sluizen, inlaten, duikers, dijken, camouflagebeplanting, (resten van) loopgraven en tankgrachten, betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen;
    • 4. de historische vestingstructuur en karakter van de vestingsteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem.
  • De per landschapstype variërende andere cultuurhistorische waarden:
    • 1. het rivierengebied met stroomruggen en donken die een grote concentratie van archeologische waarden herbergen;
    • 2. voor het rivierengebied kenmerkende elementen als dijken, dorpen en wegen en gebouwde monumenten en kastelen;
    • 3. het veengebied, met mogelijk bewoningsresten uit de ijzertijd tot de Romeinse tijd en ontginnings- verkavelings- en dorpsstructuren die tot in de late middeleeuwen teruggaan.

Rivierengebied

Houten maakt deel uit van het Kromme Rijngebied. Dit gebied vormt een geografische eenheid die wordt begrensd door de stad Utrecht aan de noordzijde, de Utrechtse Heuvelrug aan de oostzijde en de rivieren Lek en Rijn aan de west- en zuidzijde. Het gebied is genoemd naar de Kromme Rijn, een Rijntak die sinds mensenheugenis kronkelend zijn weg door het gebied zoekt. In het rivierenlandschap is het oorspronkelijke meanderende verloop van de Kromme Rijn karakteristiek met aangrenzende hoger gelegen oeverwallen met karakteristieke dorpen en onregelmatige verkavelingspatronen. Individuele of collectieve occupatie van oeverwallen van de voormalige (Kromme) Rijn heeft plaatsgevonden voor en na bedijking vanaf de 13e eeuw.

In grote delen van het Kromme Rijngebied zijn sinds het eind van de zestiger jaren van de twintigste eeuw grootschalige fosfaatkarteringen, veldverkenningen en booronderzoeken uitgevoerd. Hierbij zijn talloze vindplaatsen uit verschillende archeologische perioden aan het licht gekomen. Voor Houten ligt de nadruk vooral op de late ijzertijd en Romeinse tijd, en in mindere mate ook op de middeleeuwen.

Kernkwaliteiten Nationaal landschap Rivierengebied:

  • schaalcontrast van zeer open naar besloten;
  • samenhangend stelsel van hoge stuwwalflank-kwelzone-oeverwal-rivier;
  • samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom;
  • Kromme Rijn als vesting en vestiging.

Fysieke dragers Belvederegebied

  • De opeenvolging van drie landschapstypen: de beboste Utrechtse Heuvelrug, het tussenliggende veenontginningslandschap van de Langbroekerwetering en het rivierenlandschap van de Kromme Rijn.
  • De Utrechtse Heuvelrug:
    • 1. een reeks landgoederen aan de zuidrand,
    • 2. vele zichtbare archeologische monumenten uit alle perioden,
    • 3. zuidpuntje van de Grebbelinie ten oosten van Rhenen.
  • Het gebied van de Langbroekerwetering:
    • 1. de smalle strokenverkaveling en het afwisselende patroon van bosstroken en graslanden, hakhoutbossen en oude lanen.
    • 2. oude boerderijen, fraaie kastelen, landhuizen en landgoederen op langgerekte percelen langs de dijk en de wetering.
  • Het oeverwallen- en kommenlandschap van de Kromme Rijn:
    • 1. het onregelmatige verkavelings- en wegenpatroon en de dorpen op de stroomruggen;
    • 2. de relatieve openheid en regelmatige verkaveling van de komgebieden;
    • 3. vele nederzettingen vooral uit de ijzertijd tot de vroege middeleeuwen en de infrastructuur van de Romeinse Limes met het castellum Vechten op de stroomruggen (geplaatst op voorlopige lijst van Nederland voor het Werelderfgoed);
    • 4. een rijke schakering van nederzettingsvormen uit de middeleeuwen: resten van kastelen, versterkte huizen, terpen en andere agrarische nederzettingen.

Landschappelijke structuur

In de ruimtelijke hoofdstructuur van het gebied is de historie en ontstaansgeschiedenis nog altijd goed te zien en vormen belangrijke pijlers voor de identiteit. In de ontstaansgeschiedenis spelen de rivieren en de landbouw een belangrijke rol. Het resultaat van de verschillende ontginningen is een contrastrijk landschap. De contrasten in het gebied bestaan onder andere uit afwisseling van grootschalige en meer kleinschalige elementen en tussen weidse vergezichten en meer beschutte gebieden.

De belangrijkste structurerende elementen van het landschap zijn:

  • de rivier de Lek, de dijk en de uiterwaarden;
  • de oeverwal parallel aan de dijk;
  • de grootschalige komgronden (polder Vuylcop, Schalkwijk (gedeeltelijk) en Blokhoven);
  • de kleinschalige komgronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en 't Waal;
  • de linten;
  • Nieuwe Hollandse Waterlinie;
  • het Amsterdam-Rijnkanaal.

Cultuurhistorie

Voor het plangebied is een cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd (d.d. 24-09-2013). De resultaten daarvan zijn opgenomen in Bijlage 8. Hierna is de samenvatting uit de inventarisatie overgenomen:

Het studiegebied omvat het gebied van de gemeente Houten ten zuiden van het Amsterdam-Rijnkanaal, en bevat de kernen Tull en 't Waal en Schalkwijk met het daarbij behorende buitengebied. Het betreft oude nederzettingen waar archeologische restanten uit diverse tijdperken zijn aangetroffen. Ook bovengronds zijn er vele restanten uit diverse tijdperken aanwezig zoals middeleeuwse wegenstructuren, historische bebouwing en oude beplanting. Het studiegebied blijkt zeer rijk aan cultuurhistorie. Ook zijn er complexen van historische elementen aanwezig (zogenaamde ensembles) die samen een belangrijke historische waarde hebben, zoals De Brink in Schalkwijk en de aangrenzende bebouwing en de lintbebouwing in Schalkwijk en in Tull en 't Waal. Daarnaast hebben de historische elementen en ensembles een belangrijke waarde voor de ruimtelijke structuur van het gebied. Daarom is het noodzakelijk dat de aanwezige cultuurhistorische waarden worden beschermd in het op te stellen bestemmingsplan.

De cultuurhistorische waarden van oude wegen, watergangen, verkavelingspatronen e.d. worden beschermd via de verschillende dubbelbestemmingen Waarde – Landschap. Gemeentelijke monumenten en rijksmonumenten zijn reeds beschermd via de Monumentenwet 1988, een regeling in het bestemmingsplan is derhalve niet nodig. Daarnaast zijn de archeologische waarden beschermd via de dubbelbestemmingen archeologie, conform het parapluplan Archeologie. Voor karakteristieke bouwwerken en ensembles zijn in het bestemmingsplan geen nadere regels opgenomen. Hiervoor gaat de gemeente eerst beleid maken waarin duidelijk wordt hoe deze waarden gewaardeerd moeten worden, en op welke manier deze dan beschermd (moeten) gaan worden.

Archeologie

De meeste bekende archeologische vindplaatsen liggen in Houten dicht aan het oppervlak. Het huidige maaiveld is op de meeste plaatsen gelijk aan dat in de Romeinse tijd. Alleen in het uiterste zuiden van de gemeente kunnen Romeinse en vroeg-middeleeuwse vindplaatsen afgedekt zijn met jonge sedimenten uit de Lek. De conservering van vindplaatsen uit die periode is in deze zone ook over het algemeen beter dan in het noorden van de gemeente, waar de archeologische sporen meestal al voor een deel in de bouw zijn opgenomen. Op de stroomruggen langs de Lek in het zuiden van de gemeente is door diezelfde afdekking de kans op onontdekte vindplaatsen daarom groter.

De gemeente Houten heeft haar eigen archeologiebeleid. Er is gekozen voor een verscherpte aandacht voor, en het stellen van duidelijke voorwaarden aan, ingrepen in de bodem van de archeologisch meest waardevolle delen van het gemeentelijke grondgebied. Dit heeft geresulteerd in een Maatregelenkaart met verschillende beschermingszones, deze kaart is opgenomen in Bijlage 2. Het archeologiebeleid is vertaald naar het paraplubestemmingsplan archeologie.

In de op de Maatregelenkaart als categorie 1, 2, 3 en 4 aangemerkte archeologische monumenten, terreinen van archeologische waarde en gebieden met een hoge of gematigde archeologische verwachting wordt, in lijn met de wijziging van de Monumentenwet 1988 (Wet op de Archeologische Monumentenzorg), van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een (financiële) inspanning gevraagd kunnen worden om resten uit het verleden op te sporen en zo nodig veilig te stellen. Binnen deze gebieden gelden voor bepaalde ingrepen en activiteiten overigens ook een aantal vrijstellingen. In de regels van dit bestemmingsplan is dit nader uitgewerkt.

In zo'n vrijstellingssituatie kan soms tijdens de uitvoering van het werk toch op archeologische resten gestuit worden, en ook buiten de aangewezen gebieden kunnen soms archeologische resten gevonden worden. Eventuele vondsten gedaan tijdens werkzaamheden, vallen wel onder de meldingsplicht zoals vastgelegd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988.

Verwachte ontwikkelingen

De gemeentelijke structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk geeft aan welke waardevolle landschappen en ruimtelijke kwaliteiten behouden en versterkt moeten worden. De lintenstructuur en de aanwezige natuur- en cultuurlandschappen (waaronder de Nieuwe Hollandse Waterlinie en het agrarische cultuurlandschap) zijn drager voor de ontwikkeling van het eiland. De ambitie is om op een zo efficiënt mogelijke wijze om te gaan met schaarse ruimte door het slim combineren van functies.

De kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zijn leidend bij ontwikkeling en betreffen:

  • een samenhangend systeem van forten, dijken, kaden en inundatiekommen;
  • het groene en overwegend rustige karakter;
  • de openheid.

En voor het Rivierengebied is de doelstelling het samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom in stand te houden, tezamen met de natuurwaarden die aanwezig zijn.

Op het Eiland van Schalkwijk bevindt zich de parel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Dit unieke ensemble van fort Honswijk en andere verdedigingswerken, inundatievelden, schootsvelden, kazematten wordt - in het kader van het project Linieland - versterkt en als totaal verdedigingssysteem zichtbaar gemaakt. Een ander belangrijk structurerend element is de hoofdverdedigingslijn die loopt van fort Honswijk over de Lekdijk voorbij de westelijke grens van de gemeente Houten met Nieuwegein. Het museale linielandschap en de forten en werken op het Eiland worden zo ontwikkeld tot het recreatieve hoogtepunt van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Bouwstenen voor beleid

Op basis van de beschrijving van de huidige kwaliteiten van landschap, cultuurhistorie en archeologie en de verwachte ontwikkelingen hierin, is voor het landelijk gebied en het bestemmingsplan het volgende sectorale wensbeeld geformuleerd:

  • behoud van het sloten/verkavelingspatroon;
  • behoud van de linten;
  • behoud van de openheid;
  • behoud van doorzichten vanaf de bebouwingslinten;
  • behoud en beheer van erf- en dijkbeplantingen;
  • behoud en beheer van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en objecten;
  • bescherming van aanwezige en verwachte archeologische waarden.

Indien nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan, moeten deze passen binnen de landschappelijke en cultuurhistorische structuur en tevens landschappelijk worden ingepast.

In de structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk wordt ingezet op versterking en het behoud van het landschap. Dat betekent dat de inundatievelden en schootsvelden te ervaren zijn via een open agrarisch landschap en op sommige plaatsen een wateropgave kan worden ondergebracht. Het is wenselijk enerzijds de openheid te bewaren en anderzijds recht te doen aan het oorspronkelijk gebruik. Om deze reden wordt voorgestaan om de schootsvelden te vrijwaren van bebouwing en verdichting (m.u.v. bestaande verdichting) met een afstand van:

  • 1.000 m bij fort Honswijk;
  • 1.000 m aan de oostzijde van het Werk aan de Waalse Wetering;
  • 300 m bij het Werk aan de Groeneweg.

De schootsvelden en inundatievelden worden in het bestemmingsplan beschermd met de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie.

Conclusie

In het bestemmingsplan worden de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden op verschillende manieren beschermd (o.a. via dubbelbestemmingen). Geconcludeerd wordt dat het aspect Landschap, cultuurhistorie en archeologie de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

5.5 Verkeer en parkeren

Huidige situatie

Ontsluiting gemotoriseerd verkeer

De ontwikkelingen worden voorzien op het Eiland van Schalkwijk in de gemeente Houten. Het eiland wordt omsloten door het Amsterdam-Rijnkanaal, de Lek en het Lekkanaal. Belangrijke ontsluitingen tot het eiland zijn de A27, de Waterliniedok (Prinses Beatrixsluis), Romeinenbaan (Prinses Irenesluis), Beusichemseweg, Schalkwijkseweg en de Overeindsebrug. Ook zijn er twee veren aan het zuiden van het eiland waardoor er directe verbindingen zijn met de kernen Culemborg en Beusichem.

De A27 kruist het eiland aan de westzijde en heeft op het eiland een aansluiting (aansluiting 28 Nieuwegein). De aansluiting is vooral gericht op Nieuwegein, maar door de aantakking op de Lekdijk Oost wordt ook het eiland ontsloten. Deze aansluiting ligt tussen de knooppunten Lunetten en Everdingen welke respectievelijk aansluiting geven op de A12 en A2. Deze wegen zijn onderdeel van het nationale en internationale wegennetwerk zodat het verkeer van en naar het eiland gemakkelijk toegang heeft tot het Nederlandse hoofdwegennet.

Op het eiland volgen de Lekdijk Oost, Lekdijk en Lekdijk West in het zuiden en de Kanaaldijk Zuid en Vuilcopsekanaaldijk in het noorden de contouren van het eiland. Deze wegen vormen zodoende een ring om het eiland. Op deze ring sluiten de veren in het zuiden aan. In het noorden kruisen de Romeinenbaan, Beusichemseweg en Schalkwijkseweg de ring en ontsluiten het eiland met de omliggende kernen Wijk bij Duurstede, 't Goy en Houten. Binnen de ring zijn de Schalkwijkseweg, Provincialeweg, Jonkheer Ramweg, Lange Uitweg, Waalseweg en de Blasenburgseweg de dragers voor de interne ontsluiting van het eiland. De ontsluiting voor het gemotoriseerd verkeer is goed te noemen.

De wegen op het eiland zijn conform Duurzaam Veilig gecategoriseerd. Zo hebben de erftoegangswegen binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid van 30 km/h en buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 60 km/h (zoals de Lekdijk). De Provincialeweg kent buiten de bebouwde kom een maximumsnelheid van 50 km/h en de Schalkwijkseweg heeft een snelheidsregime van 80 km/h.

Het voorliggende bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichtingen zijn gepland. Waar toch nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt dient het parkeren altijd op eigen terrein opgevangen te worden. Daarbij dient voldaan te worden aan de kencijfers van CROW.

Openbaar vervoer

Door het plangebied loopt de spoorlijn van Utrecht-Geldermalsen-Den Bosch. Op het eiland zelf is geen treinstation. De dichtstbijzijnde treinstations zijn station Houten, Houten Castellum en Culemborg. Vanuit het plangebied kan treinstation Houten bereikt worden per bus. Deze bus heeft elf bushaltes op het eiland, de Heul, Ramselaar, van Gaalen, Rozenhoeve, de Brink, Spoorlaan, Wickenburghselaan, Kloostergaarde, Jonkheer Ramweg, Trip en Korte Uitweg. De bus rijdt in de spits twee keer per uur en buiten de spits één keer per uur. Daarbij rijdt de bus slechts in één richting. In de ochtend is dat via de Beusichemseweg het eiland op en via de Schalkwijkseweg het eiland af, in de middag is de route andersom. Deze bus bedient slechts een gedeelte van het plangebied. De ontsluiting van het plangebied per openbaar vervoer is zodoende redelijk te noemen.

Langzaam verkeer

Het fietsverkeer maakt binnen het plangebied grotendeels van dezelfde rijbaan gebruik als het gemotoriseerde verkeer, al dan niet met fietssuggestiestroken. Een uitzondering hierop vormen de Schalkwijkseweg, Lange Uitweg, Waalseweg en Blasenburgseweg, hierlangs liggen vrijliggende fietspaden. Er zijn ook enkele vrijliggende fietspaden die ontvlochten zijn van het netwerk voor gemotoriseerd verkeer en zodoende een eigen fietsnetwerk vormen.

Het eiland wordt voor fietsers ontsloten door drie veren aan de zuidzijde van het eiland. Aan de noordzijde wordt het eiland ontsloten door de Romeinenbaan, Beusichemseweg, Schalkwijkseweg en de Overeindsebrug. De ontsluiting van het eiland voor de fiets is goed te noemen.

Verwachte ontwikkelingen

In de gemeentelijke structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk zijn ook ambities geformuleerd op het gebied van verkeer. Concrete maatregelen die genoemd worden zijn de volgende.

  • Uitbreiden van wandel-, fiets- en kanoroutes aan de westkant van het eiland. Zo is er de ambitie om de toegang tot de westkant van het eiland vanuit de kern Houten te verbeteren door een fietsbrug. Als opties voor een fietsbrug worden genoemd een brug over het Amsterdam-Rijnkanaal naar het Elpad, het aanhangen van een fietsbrug aan de bestaande A27 en als de spoorbrug over de Lek wordt aangepakt dan kan hieraan tegelijkertijd een fietsbrug 'aangehangen' worden (Bereikbaarheidsvisie Houten).
  • Ook een verbinding met Vianen via het Stuweiland is gewenst.
  • De toegang tot het eiland is geregeld via Groene Poorten. Doel is gemotoriseerd verkeer af te vangen aan de rand van het gebied en te stimuleren dat bezoekers het gebied in wandelen, fietsen en kanoën. De drie Groene Poorten zijn het Randstedelijk transferium aan de A27, de toegangspoort over het water via de pont tussen de forten Honswijk en Everdingen en aan de noordzijde is de ambitie om het Wapen van Schalkwijk te ontwikkelen tot een recreatief transferium met een (boven)lokale aantrekkingskracht.
  • Het oostelijk deel van het eiland wordt minder druk bezocht door recreanten, maar ook hier is de verbetering van de recreatieve infrastructuur gewenst (wandel-, fietsroutes). Een opwaardering van de Kanaaldijk-Zuid is gewenst, aangezien dit kan zorgen voor een goede afwikkeling van landbouwverkeer en doorgaand verkeer en versterking van de veiligheid in het lint van Schalkwijk. De ambitie is het wegdek van het westelijk deel van de Kanaaldijk-Zuid deels te verbeteren voor langzaam verkeer.
  • Naast de Groene Poorten die worden gerealiseerd om het gemotoriseerd af te vangen, dienen bepaalde plekken ook voor recreanten per auto bereikbaar te blijven. Om de verkeersintensiteit beperkt te houden, alsmede doorgaand verkeer te weren, worden mogelijkheden onderzocht om de Lekdijk gedeeltelijk verkeersluw te maken voor gemotoriseerd verkeer. In het onderzoek wordt de bereikbaarheid van Fort Honswijk per auto en de gevolgen voor de verkeersstromen op het eiland meegenomen. Verkeer vanuit Culemborg en omstreken blijft verbinding houden met Houten via de pont en de Beusichemseweg.

Parkeren

De raad van de gemeente Houten heeft op 11 februari 2014 ingestemd met de nota parkeernormen. Met de nota is het mogelijk om de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. De parkeernormen in de nota bieden houvast bij het bepalen van de benodigde parkeerruimte (de parkeereis) bij woningen, kantoren, winkels, etc. Het aantal aan te leggen parkeerplaatsen is afhankelijk van de grootte van de voorziening en de parkeernorm die bij die ontwikkeling hoort en de locatie van de voorziening. Volgens de Bouwverordening dient degene die een bouwaanvraag indient, dit aantal parkeerplaatsen in eerste instantie aan te leggen op eigen terrein. De normen zijn gebaseerd op de meest actuele kencijfers voor parkeren van het CROW (nationaal kennisplatform voor infrastructuur, verkeer en openbare ruimte). Deze richtlijnen zijn landelijk (ook juridisch) geaccepteerd als acceptabel en betrouwbaar. De parkeerkencijfers zijn ontwikkeld als hulpmiddel voor ontwerpers om uit te rekenen hoeveel parkeerplaatsen bij een bepaalde voorziening ongeveer nodig zijn. Ze zijn op de praktijk gebaseerd en geven de beste indicatie voor een goede afstemming tussen vraag en aanbod naar parkeerruimte. De normen zijn alleen van toepassing op (nieuwe) ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, zoals nieuwbouwprojecten, uitbreidingen van bestaande bebouwing en functiewijzigingen waarvoor tevens een omgevingsvergunning is vereist. Bij bestaande situaties (bestaande bebouwing) spelen parkeernormen geen rol: bestaande situaties worden niet getoetst aan de bouwverordening of het bestemmingsplan. Het is niet zo dat wanneer er parkeerproblemenzijn in een bepaald gebied, via een parkeerbalans met nieuwe normen bepaald kan worden dat in het gebied een bepaalde hoeveelheid parkeerplaatsen bijgemaakt moet worden. Er is een algemene parkeerbepaling opgenomen in de regels waarin wordt verwezen naar de vastgestelde nota zoals opgenomen in Bijlage 5 van de regels.

Bouwstenen voor beleid

Voor het aspect verkeer en infrastructuur dienen bij toekomstige ontwikkelingen de volgende uitgangspunten in acht genomen te worden:

  • de draagkracht van de bestaande infrastructuur voor gemotoriseerd verkeer is leidend bij ontwikkelingen;
  • het eiland is verkeersluw; verkeersbewegingen voor gemotoriseerd verkeer van buitenaf (sluipverkeer en recreatief verkeer) worden beperkt;
  • vervoersbewegingen dienen zoveel mogelijk op een milieuvriendelijke manier plaats te vinden;
  • vergroten van de verkeersveiligheid voor langzaam verkeer door de aanleg van vrijliggende fiets- en wandelpaden;
  • bij nieuwe ontwikkelingen dient het parkeren altijd op eigen terrein opgevangen te worden, waarbij voldaan dient te worden aan de parkeerkencijfers van CROW;
  • behoud van de huidige bereikbaarheid van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer en zo mogelijk verbetering van de infrastructuur en de verkeersveiligheid;
  • behoud van de bereikbaarheid van het plangebied per het openbaar vervoer en zo mogelijk verbetering.

Conclusie

De ontsluiting van Eiland van Schalkwijk is goed te noemen. Parkeren wordt op eigen terrein opgevangen. Geconcludeerd wordt dat het aspect verkeer en parkeren de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Inleiding

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn eventuele aanlegregels, uitwerkingsregels, nadere eisen, ontheffing- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

6.2 Bestemmingen

6.2.1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepaling

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 Wijze van meten

Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

6.2.2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

Alle agrarische bedrijven zijn bestemd in een artikel Agrarisch. Binnen de bestemming Agrarisch zijn de productietakken grondgebonden veehouderij en akker- en vollegrondstuinbouw overal zonder meer toegestaan. Overige productietakken zijn alleen toegestaan ter plaatse van de desbetreffende aanduiding. Dit betreft de glastuinbouw, fruitteelt en intensieve veehouderij.

Voor wat betreft de productietak fruitteelt geldt dat alleen de bedrijfscomplexen zijn aangeduid. In de regels is voorgeschreven dat alleen de gronden behorende bij deze bedrijven en die in de bestaande situatie al in gebruik zijn genomen voor fruitteelt, voor fruitteelt mogen worden gebruikt. Het omzetten van agrarische gronden naar fruitteelt is niet toegestaan.

Indien er sprake is van een gemengd bedrijf, zijn aanduidingen opgenomen voor alle aanwezige productietakken.

Voor elk agrarisch bedrijf is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend. Alle bedrijfsgebouwen, de bedrijfswoning en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen binnen dit bouwvlak gesitueerd te zijn. Ook paardenbakken dienen binnen het bouwvlak gesitueerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Daarnaast zijn ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' tevens kassen buiten het bouwvlak toegestaan.

De bouwvlakken hebben een oppervlak van ten hoogste 1,44 ha, afgestemd op de uitbreidingsrichting in het vigerende bestemmingsplan. Binnen het bouwvlak mag ten hoogste 1 ha bebouwd zijn met gebouwen (inclusief bedrijfswoning). In afwijking hiervan is een aparte bouwregeling opgenomen voor gebouwen en koelruimten voor fruitteeltbedrijven. Dit betreft een getrapte regeling waarbij het toegestane oppervlak aan gebouwen of koelruimten afhangt van het grondoppervlak waarop fruit wordt geteeld.

Per bouwvlak is 1 bedrijfswoning toegestaan, tenzij reeds een bestaande en legale tweede bedrijfswoning aanwezig is. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Bij neven- en vervolgfuncties gaat het om mogelijkheden voor agrarisch verwante en niet-agrarische functies, hetzij in combinatie met agrarische bedrijfsvoering (nevenfuncties), hetzij om gebruiksmogelijkheden van agrarisch verwante en niet-agrarische functies in voormalige agrarische bedrijfsgebouwen (vervolgfuncties). In het artikel Agrarisch is aangegeven welke functies rechtstreeks of onder voorwaarden toelaatbaar zijn.

Flexibiliteitsbepalingen

In de regels zijn flexibiliteitsbepalingen opgenomen voor het afwijken van de bouw- en gebruiksregels en voor het wijzigen van de bestemming. Van de bouwregels kan worden afgeweken ten behoeve van:

  • het realiseren van kuilvoerplaten en sleufsilo's buiten het bouwvlak;
  • het afwijken van het maximale bebouwingsoppervlak (1 ha) tot ten hoogste 1,44 ha;
  • het toestaan van een groter oppervlak aan gebouwen ten behoeve van fruitteelt in één categorie hoger;
  • de realisatie van lage boogkassen buiten het bouwvlak.

Van de gebruiksregels kan worden afgeweken ten behoeve van:

  • de huisvesting van seizoenarbeiders in bestaande bedrijfsgebouwen;
  • andere nevenfuncties dan bij recht zijn toegestaan;
  • paardenbakken buiten het bouwvlak.

Planwijziging kan worden aangevraagd voor:

  • vervolgfuncties;
  • wijziging naar de bestemming Wonen;
  • de toepassing van de Ruimte voor Ruimte-regeling.

In verschillende flexibiliteitsbepalingen wordt als voorwaarde gesteld dat de ontwikkeling 'milieuhygiënisch inpasbaar' dient te zijn. Milieuhygiënisch inpasbaar is een verzamelbegrip voor verschillende aspecten. Hieronder is weergegeven waar tijdens de toetsing rekening mee gehouden dient te worden:

  • toetsing aan de eisen uit de Natuurbeschermingswet;
  • toetsing van de geurhinder ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten (waarbij ook wordt gekeken naar mogelijke cumulatie van geurhinder);
  • toetsing aan de eisen uit de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen;
  • aantonen dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en geen onevenredige negatieve gevolgen voor het waterbeheer optreden;
  • beoordeling van de inpasbaarheid voor de thema's verkeer, externe veiligheid en geluid.

Artikel 4 Bedrijf

In het plangebied komen veel niet-agrarische bedrijven voor. Deze hebben de bestemming Bedrijf gekregen. Ter categorisering van niet-agrarische bedrijven is in de regels van het bestemmingsplan de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegevoegd. Bedrijven die vallen in de categorie 1 en 2 zijn rechtstreeks toelaatbaar binnen elke bedrijfsbestemming. Bedrijven in een hogere categorie hebben een specifieke aanduiding toegekend gekregen. Op deze specifieke locatie mag alleen dit type bedrijf gevestigd zijn of een bedrijf in de categorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Voor elk bedrijf is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend waarbinnen de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gesitueerd moeten worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%.

Per bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Indien sprake is van algehele bedrijfsbeëindiging, kan planwijziging naar de bestemming Wonen worden aangevraagd. Daarbij dient 50% van het oppervlak aan bedrijfsgebouwen te worden gesloopt.

Artikel 5 Cultuur en Ontspanning

Op 1 locatie in het plangebied is een museum gelegen, welke bestemd is voor Cultuur en Ontspanning. Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 6 Detailhandel

In het plangebied zijn een aantal detailhandelsbedrijven in diverse sectoren gevestigd. Deze hebben de bestemming Detailhandel gekregen.

Voor elk bedrijf is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend waarbinnen de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gesitueerd moeten worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%.

Per bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 7 Gemengd

Binnen het plangebied zijn 4 locaties gelegen waar meerdere functies op dezelfde locatie gevestigd zijn. Deze locaties hebben de bestemming Gemengd gekregen. Elke locatie is voorzien van een specifieke aanduiding, waarbij is beschreven welke functies op die locatie voorkomen.

Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 8 Groen

Grote groenelementen en structurerend groen zijn als Groen bestemd. Hierbinnen zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een bouwhoogte van ten hoogste 4 m.

Artikel 9 Horeca - 1

Binnen de bestemming Horeca - 1 zijn horeca-activiteiten toegestaan in categorie 1a, 1b en 1c van de Staat van Horeca-activiteiten, zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Categorie 1 wordt lichte horeca genoemd, omdat de horeca-activiteiten overdag en 's avonds plaatsvinden, verder omdat er slechts van een geringe geluidsbelasting sprake is en omdat het hoofddoel niet is gericht op het schenken van alcoholhoudende dranken. Binnen categorie 1 worden drie deelcategorieën onderscheiden: categorie 1a bevat de winkelondersteunende horeca, categorie 1b alleen kleinschalige horeca, categorie 1c ook de grootschaliger activiteiten in de lichte horeca.

Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 10 Horeca - 2

Binnen de bestemming Horeca - 2 zijn horeca-activiteiten toegestaan in categorie 2 van de Staat van Horeca-activiteiten, zoals opgenomen in de bijlage bij de regels. Onder categorie 2 vallen middelzware horeca, waaronder wordt verstaan horeca-activiteiten met enerzijds late openingstijden, een hogere geluidsbelasting, het accent op het schenken van alcohol, maar anderzijds met een relatief gering volume, waardoor het aantal verkeersbewegingen en parkeeroppervlak beperkt blijft.

Ter plaatse is een strak bouwvlak rondom het bedrijfsgebouw opgenomen. Uitbreiding is niet mogelijk. Binnen het gebouw is een bedrijfswoning als bovenwoning toegestaan.

Artikel 11 Horeca - 3

Deze bestemming is opgenomen voor de locatie Provincialeweg 1, het voormalige 'Wapen van Schalkwijk'. Op de locatie worden binnen het bestaande gebouw drie woningen gerealiseerd. Daarnaast worden nieuwe gebouwen gerealiseerd voor een pannenkoekenboerderij met informatiepunt van de VVV en een landwinkel. Ook komen er op de locatie een kinderspeelplaats alsmede een verhuur- en oplaadpunt voor elektrische voertuigen. De vergunning voor de ontwikkeling is inmiddels onherroepelijk. In een ruimtelijke onderbouwing behorende bij de vergunning zijn de mogelijke effecten op de omgeving beoordeeld. Om te voorkomen dat er overlast ontstaat voor de omgeving zijn de specifieke activiteiten toegestaan tot het oppervlak, dat eveneens is onderzocht in de ruimtelijke onderbouwing.

Artikel 12 Kantoor

Op één locatie is een kantoor gevestigd. Deze locatie heeft de bestemming Kantoor gekregen. Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal bedrijfswoningen toegestaan. De maximale inhoud van de bedrijfswoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 13 Maatschappelijk

Binnen het plangebied komen diverse maatschappelijke functies voor, welke voorzien zijn van de bestemming Maatschappelijk. Het betreft hier functies zoals bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen, verenigingsleven of voorzieningen ten behoeve van levensbeschouwelijke en religieuze doeleinden. Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal dienstwoningen toegestaan. De maximale inhoud van de dienstwoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 14 Maatschappelijk - Fort

Binnen het plangebied zijn de volgende waterlinieobjecten gelegen:

  • Fort Honswijk;
  • Lunet aan de Snel;
  • Werk aan de Groeneweg;
  • Werk aan de Korte Uitweg;
  • Werk aan de Waalse Wetering.

Deze objecten, met uitzondering van Werk aan de Groeneweg, worden in het bestemmingsplan bestemd voor Maatschappelijk - Fort. Er is voor de hoofdgroep Overig gekozen, omdat het gebruik niet past binnen een bestaande enkelbestemming. Met de bestemming worden de cultuurhistorische waarden van de waterlinieobjecten beschermd. Daarnaast is op Werk aan de Korte Uitweg een kampeerterrein voor 20 kampeermiddelen mogelijk gemaakt. En wordt het gebruik voor militaire zaken voor Fort Honswijk en Lunet aan de Snel geregeld.

Ter plaatse zijn de bestaande gebouwen toegestaan, deze mogen niet worden uitgebreid. Wel mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd tot maximaal 1,5 m hoog.

Artikel 15 Natuur

Grootschalige en structurerende natuurelementen zijn bestemd als Natuur. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuur-, landschaps- en cultuurhistorische waarden staan in dit artikel centraal. Om die reden zijn gebouwen niet toegestaan en mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, slechts in de vorm van erfafscheidingen worden gebouwd.

Om de bovengenoemde waarden verder te beschermen, is bovendien een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk (geen bouwwerk zijnde) of van werkzaamheden voorgeschreven. Ingrepen die de genoemde waarde mogelijk kunnen aantasten zijn zodoende pas toegestaan nadat is gebleken dat deze waarden hiermee niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 16 Recreatie - Dagrecreatie

De bestemming Recreatie - Dagrecreatie is toegekend aan de recreatieterreinen langs de Lek; Heulse Waarden, 't Waal - Oost, West en Honswijkerwaarden. Voor de Heulse Waarden is in artikel 43.4 de evenementenregeling opgenomen. Op de overige locaties zijn geen evenementen toegestaan, voor zover deze niet onder de noemer van dagrecreatie vallen. Voor Recreatieplas 't Waal is in 2004 een bestemmingsplan vastgesteld. Dit plan is overgenomen in het onderliggende bestemmingsplan. Daarbij zijn de aanduidingen vertaald naar de mogelijkheden binnen de SVBP. Inhoudelijk zijn er geen wijzigen toegebracht.

Artikel 17 Recreatie - Dagrecreatie 1

Dit artikel is specifiek opgenomen voor de pleisterplaats aan de Trip 2. Op deze locatie is door middel van een omgevingsvergunning een pleisterplaats mogelijk is gemaakt, met een bijbehorend gebouw (Villa Kakelkers). De pleisterplek mag volgens de verleende vergunning uitsluitend gebruikt worden voor de verkoop van eigen kersen en streekproducten. Daarnaast mag de pleisterplaats gebruikt worden als rustplaats voor wandelaars en fietsers (kleinschalige horeca). Het is incidenteel toegestaan een kinderfeestje te organiseren, mits het kinderfeestje ook daadwerkelijk aansluit bij de locatie en ondergeschikt blijft aan het feitelijk gebruik als pleisterplaats. In aanvulling op de vergunning mag het gebouw ook mag worden gebruikt voor :

  • 1. Vergaderingen, Workshops en Cursussen
  • 2. Familiefeestjes
  • 3. Maatschappelijke activiteiten

In de regeling is tevens opgenomen dat er een maximum van 30 personen binnen het gebouw (per dag, jaarrond) aanwezig mag zijn en in de periode 1 mei – 1 oktober een maximum aantal bezoekers van 75 personen per dag (op het hele perceel).

Artikel 18 Recreatie - Verblijfsrecreatie

Camping de Kroon aan de Lekdijk 120 is bestemd als Recreatie - Verblijfsrecreatie met de aanduiding 'kampeerterrein'. Ter plaatse mogen 20 stacaravans en 9 kampeermiddelen wordt geplaatst. Tevens mag een hoofdgebouw worden opgericht ten behoeve van sanitaire voorzieningen en algemene ruimten.

Naast de camping is tevens een solitair gelegen recreatiewoning bestemd voor Recreatie - Verblijfsrecreatie.

Artikel 19 Sport

Aan de sportvelden bij de kern Schalkwijk en aan de manege is de bestemming Sport toegekend. Gebouwen ten behoeve van de bestemming dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Alleen erf- en terreinafscheidingen zijn buiten het bouwvlak toegestaan. Binnen het bouwvlak mag het bruto vloeroppervlak van de bestaande, legaal tot stand gekomen, bebouwing worden verruimd met 20%. Binnen het bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal dienstwoningen toegestaan. De maximale inhoud van de dienstwoning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd tot ten hoogste 50 m².

Artikel 20 Tuin - Overtuin

Tuinen die door een openbare weg of door een water van de woning wordt gescheiden, zijn bestemd als Tuin - Overtuin. Binnen deze bestemming zijn alleen tuinen, erven, verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Ten behoeve van de bestemmingen mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van 2 m.

Artikel 21 Tuin - Voortuin

Tuinen aan de voorzijde van de woning zijn bestemd als Tuin - Voortuin. Naast tuinen, erven, verhardingen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn tevens erkers, voordeurluifels, kliko-ombouwen en inritten ten behoeve van parkeren toegestaan. Voor erkers, voordeurluifels en kliko-ombouwen zijn specifieke bouwregels opgenomen. Voor overige bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 1 m.

Artikel 22 Verkeer - Railverkeer

De bestemming Verkeer - Railverkeer is toegekend aan de spoorlijn.

Artikel 23 Verkeer - Wegverkeer

De bestemming Verkeer is toegekend aan de belangrijkste wegen en bijbehorende bermen.

Artikel 24 Water

De bestemming Water is toegekend aan alle hoofdwatergangen in het plangebied. Andere in het plangebied aanwezige watergangen zijn niet afzonderlijk bestemd. Verkeer te water en recreatievaart zijn algemeen toegestaan. Ter plaatse van de recreatieplas Honswijkerwaarden mag het water gebruikt worden ten behoeve van intensieve en extensieve dagrecreatie. Ter plaatse van de betreffende aanduiding mogen aanlegsteigers gerealiseerd worden. Sommige watergangen zijn tevens opgenomen binnen de EHS. Watergangen die als hoofdwatergang zijn aangemerkt zijn voorzien van de bestemming Water. Om de aanwezige natuurwaarden te behouden/beschermen is op deze watergangen tevens de aanduiding 'natuur' opgenomen. Watergangen die niet als hoofdwatergang zijn aangemerkt zijn voor zien van de bestemming Natuur.

Artikel 25 Wonen - Aaneengebouwd

Artikel 26 Wonen - Gestapeld

Artikel 27 Wonen - Twee-aaneen

Artikel 28 Wonen - Vrijstaand

Burgerwoningen in het plangebied zijn bestemd als Wonen. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen aaneengebouwde, gestapelde, twee-aaneen gebouwde en vrijstaande woningen. Per bouwvlak is het bestaande en legaal tot stand gekomen aantal woningen toegestaan. De maximale inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarbij het oppervlak maximaal 50% van het oppervlakte van het bouwperceel buiten het bouwvlak mag bedragen, tot ten hoogste 50 m².

Artikel 29 Leiding - Riool

Deze bestemming is opgenomen voor de aanwezige rioolleiding. Bouwen op deze gronden ten behoeve van een andere bestemming dan de rioolleiding is uitsluitend via afwijking mogelijk. tevens gelden voor een aantal werken- en werkzaamheden een vergunningsplicht.

Artikel 30 Waarde - Archeologie 1

Artikel 31 Waarde - Archeologie 2

Artikel 32 Waarde - Archeologie 3

In dit artikel is de bescherming van de archeologische waarde van gronden in het plangebied geregeld met een zogenoemde dubbelbestemming. Hierin is nadrukkelijk gesteld dat gebouwen (die op basis van de bestemmingen mogelijk zijn) op gronden met een archeologische verwachtingswaarde, ter bescherming van die waarden, moeten worden gebouwd binnen de bebouwingsgrenzen. Voorts is een groot aantal werken en werkzaamheden opgenomen. Voor het verlenen van een vergunning dient advies te worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.

De dubbelbestemmingen met betrekking tot archeologie zijn opgesteld op basis van de beleidskaart archeologie van de gemeente Houten. Hierop zijn gebieden met een verschillende archeologische verwachtingswaarde en het beleid ten aanzien van deze gebieden weergegeven.

Artikel 33 Waarde - Cultuurhistorie

Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van de objecten van Nieuwe Hollandse Waterlinie en de bijbehorende inundatievelden, is de dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning of planwijziging, de aanvraag tevens getoetst dient te worden aan de waarden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Een verzoek wordt alleen ingewilligd indien de ontwikkeling de waarden niet onevenredig aantast.

Artikel 34 Waarde - Landschap 1

Artikel 35 Waarde - Landschap 2

Artikel 36 Waarde - Landschap 3

Artikel 37 Waarde - Landschap 4

Artikel 38 Waarde - Landschap 5

In overeenstemming met de structuurvisie Eiland van Schalkwijk is het plangebied ingedeeld in 5 zones:

  • 1. linten Tull en 't Waal en Schalkwijk;
  • 2. komgronden ten noorden van Schalkwijk en Tull en 't Waal;
  • 3. polder Blokhoven en Vuylcop;
  • 4. oeverwal;
  • 5. rivier de Lek met de rivierdijk en de uiterwaarden.

Elke zone kent zijn eigen landschappelijke kwaliteiten, welke in het artikel beschreven staan. Bij aanvragen voor een omgevingsvergunning of planwijziging dient de aanvraag getoetst te worden aan de landschappelijke kwaliteiten en randvoorwaarden van de specifieke zone. Een aanvraag kan alleen ingewilligd worden indien de ontwikkeling de kwaliteiten niet onevenredig aantast en bijdraagt aan de versterking ervan.

Artikel 39 Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed

Voor de Lek geldt de regelgeving vanuit de Beleidslijn Grote Rivieren. In het stroomvoerend rivierbed van de Lek mag niet gebouwd worden zonder toestemming van de waterbeheerder. Deze regelgeving is opgenomen in de dubbelbestemming Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed.

Artikel 40 Waterstaat - Waterkering

Voor waterkeringen, waterbergingen, primaire watergebied en waterhuishouding, is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.

6.2.3 Algemene regels

Artikel 41 Anti-dubbeltelregel

Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) bouwvlakken van eigenaars wisselen. De regeling is met name van belang met het oog op woningbouw.

Artikel 42 Algemene bouwregels

  • Overschrijding bouwgrenzen

Om te voorkomen kleine ontwikkelingen leiden tot het volgen van aparte procedures, is in dit lid opgenomen dat voor bepaalde ontwikkelingen de bouwgrenzen overschreden mogen worden.

  • Ondergronds bouwen

In dit lid is een bouwregels opgenomen ten behoeve van ondergronds bouwen.

  • Bestaande afstanden en andere maten

Met deze regeling wordt voorkomen dat bestaande situaties die afwijken van de maatvoering ingevolge hoofdstuk 2 - onbedoeld - geheel of gedeeltelijk onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen.

  • Herbouw (bedrijfs)woningen

In dit artikel wordt de herbouw van (bedrijfs)woningen anders dan op de bestaande fundamenten uitgesloten. Hiermee wordt voorkomen dat voor de verplaatsing van de (bedrijfs)woningen binnen het bouwvlak geluids- en milieuonderzoek moet worden uitgevoerd.

  • Voldoende parkeergelegenheid

In het ontwerpplan werd voor de toetsing van de parkeerbehoefte in dit artikel 57 verwezen naar de gemeentelijke bouwverordening. Door de inwerkingtreding van de 'Reparatiewet BZK 2014' (Staatsblad 2014, 458) per 29 november 2014 is de bouwverordening voor dit bestemmingsplan niet meer van toepassing. De regeling van parkeerbepaling in de bouwverordening is daarom materieel overgenomen in dit bestemmingsplan. Een en ander leidt niet tot een inhoudelijke wijziging van de beoogde toetsing. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was.

Artikel 43 Algemene gebruiksregels

  • Strijdig gebruik

In dit lid zijn specifieke gebruiksregels opgenomen met betrekking tot strijdig gebruik. Hierin is tevens een verbod opgenomen om gronden en bouwwerken voor prostitutiebedrijven te gebruiken. Het gemeentebestuur is van mening dat seksinrichtingen ongewenst zijn in het plangebied vanwege de uitstraling die dit gebruik heeft. De kwaliteit van de woon- en leefomgeving wordt hierdoor negatief beïnvloed.

  • Isolatie

Middels deze regeling wordt het mogelijk gemaakt om voor de isolatie van gebouwen de bestemmingsgrens te overschrijden.

  • Beroep en bedrijf-aan-huis

Bij (bedrijfs)woningen zijn beroepen- en bedrijven-aan-huis toegestaan. In dit lid zijn aanvullende regels opgenomen. Het oppervlak dat in gebruik mag worden genomen voor het beroep- en bedrijf-aan-huis bedraagt ten hoogste 1/3 van het woonoppervlak tot maximaal 100 m².

  • Evenementen

Op drie locaties in het plangebied zijn evenementen toegestaan. Hiervoor zijn op de verbeelding vier aanduidingen opgenomen:

  • a. specifieke vorm van ontspanning – evenement 1 (evenemententerrein Spoorlaan);
  • b. specifieke vorm van ontspanning – evenement 2 (evenemententerrein Schalkwijkseweg);
  • c. specifieke vorm van ontspanning – evenement 3 (recreatieterrein Heulsewaard).

In de tabel in artikel 41 is allereerst per locatie bepaald welk aantal bezoekers per evenement is toegestaan. Voor de locaties Spoorlaan (500 bezoekers) en Schalkwijkseweg (1.300 bezoekers) is dit aantal ook direct het maximum aantal dat de locatie per dag kan verwerken. Alhoewel de omvang en het feitelijke recreatieve gebruik van de recreatieterreinen (zeker op zomerse dagen) vrij omvangrijk is, geldt hier dat het maximum aantal bezoekers per dag (Heulsewaard) 500 bedraagt. Evenementen waarbij gebruik wordt gemaakt van geluidsinstallaties (versterkt geluid) zijn niet toegestaan.

Voor de locaties Spoorlaan en Schalkwijkseweg is een maximum aantal evenementen bepaald, respectievelijk 10 en 11. Dit aantal wordt vervolgens weer onderscheiden in evenementen waarbij wel of niet geluidsinstallaties zijn toegestaan. Hierbij is het maximale bronvermogen van de geluidsinstallaties vastgelegd op 103 dB(A) en 118 dB(C). Ook is bepaald tot welke tijdstippen het gebruik van geluidsinstallaties is toegestaan.

Als aanvullende voorwaarde geldt bij evenementen met een bezoekersaantal van 500 of meer dat de verkeersafwikkeling en de bereikbaarheid van zowel de evenementenlocaties zelf als ook de omgeving van de locaties voldoende zijn en blijven. Dit vereiste zal er in de praktijk op neer komen dat voorafgaande aan een evenement inzichtelijk wordt gemaakt of en zo ja welke verkeersmaatregelen nodig zijn en hoe deze tot uitvoering worden gebracht.

In een enkel geval kan het voorkomen dat het maximaal toegestane bronvermogen ontoereikend is voor het beoogde type festival. Voor die situatie kent dit plan een afwijkingsmogelijkheid, waarmee een maximaal bronvermogen van 120 dB(A) kan worden toegestaan. Voorwaarde om een dergelijk bronvermogen toe te staan, is dat door middel van geluidsonderzoek inzichtelijk is gemaakt dat dit niet tot een onaanvaardbaar geluidsniveau op nabijgelegen woningen leidt.

Artikel 44 Algemene aanduidingsregels

  • Milieuzone - waterwingebied

Ten behoeve van de bescherming van het waterwingebied is een gebiedsaanduiding opgenomen. Het bouwen en gebruiken van gronden ten behoeve van andere enkelbestemmingen is alleen toegestaan indien het de belangen van het waterwingebied niet aantasten.

  • Milieuzone - boringsvrijezone

In een boringsvrije zone kunnen activiteiten in de ondergrond gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Om dit te beschermen is een gebiedsaanduiding opgenomen met regels of verbodsbepalingen voor bepaalde ondergrondse activiteiten. Hierbij geldt in principe een vrijstelling tot een diepte van 40 cm beneden maaiveld. Deze diepte is bepaald op basis van de ligging van een beschermde kleilaag boven de waterwinning. Het principe is dat deze kleilaag in tact moet blijven en activiteiten in of onder deze kleilaag verboden zijn of aan (zeer strikte) voorwaarden gebonden. Voor bovengrondse activiteiten zijn regels niet nodig, omdat de generieke wetgeving voldoende bescherming bieden.

  • Veiligheidszone - windturbine

Rondom windturbines geldt een veiligheidszone waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan.

Artikel 45 Algemene afwijkingsregels

  • Algemeen

In dit lid zijn algemene afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels in het bestemmingsplan opgenomen. Zoals het vergroten van de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken of het realiseren van voorzieningen voor duurzame energie.

  • Maten en bouwgrenzen

In dit lid zijn algemene afwijkingsmogelijkheden van de bouwregels in het bestemmingsplan opgenomen. Zoals het vergroten van de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken of het realiseren van voorzieningen voor duurzame energie.

  • Mantelzorg

In dit lid is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het toestaan van mantelzorg.

  • Vergroten inhoudsmaat woning

Voor het vergroten van de inhoudsmaat van een (bedrijfs)woning naar 800 m³ is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

  • Mini windturbines

Voor de bouw van mini windturbines tot 15 m is een algemene afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

  • Nevenfunctie

Binnen de bestaande gebouwen zijn aan het buitengebied gerelateerde nevenfuncties toegestaan. Hiervoor is een lijst opgenomen in betreffende artikel. Deze regeling is niet van toepassing op de bestemming Agrarisch, aangezien hiervoor een aparte regeling voor nevenfuncties geldt.

  • Afwijkingsregels voor de herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten

Om te voorkomen dat er in het kader van dit bestemmingsplan milieukundig en geluidsonderzoek moet worden uitgevoerd, is het verplaatsen van de (bedrijfs)woning binnen het bouwperceel niet rechtstreeks toegestaan. De herbouw van woningen buiten de fundamenten is mogelijk als de herbouw plaatsvindt binnen hetzelfde bouwvlak, er geen beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden en de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijdt.

Artikel 47 Algemene wijzigingsregels

  • Overschrijding bestemmingsgrenzen

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor geringe overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.

  • Waarde - Archeologie

Indien uit nader onderzoek blijkt dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, kan met deze wijzigingsbevoegdheid de archeologische dubbelbestemming verwijderd worden.

  • Herbouw van (bedrijfs)woningen buiten bestaande fundamenten

De wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast om herbouw van woningen buiten de fundamenten zodanig dat er geen beperkingen voor omliggende, bestaande (agrarische) bedrijven optreden en de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer de uiterste grenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet overschrijdt.

Artikel 48 Overige regels

  • Werking wettelijke regelingen

Met dit artikel wordt geregeld dat de wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, de regelingen betreffen zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

  • Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening

De regel geeft invulling aan de afstemmingsbepaling tussen de bouwverordening en het bestemmingsplan ingevolge artikel 9 van de Woningwet. Artikel 9 van de Woningwet regelt primair dat de bouwverordening buiten toepassing blijft voor zover deze niet overeenstemt met het desbetreffende bestemmingsplan. Voor zover het bestemmingsplan geen regels bevat ten aanzien van een onderwerp dat in de bouwverordening is geregeld, is de bouwverordening wel van toepassing, tenzij het bestemmingsplan anders bepaalt. De bepaling voorkomt dat de bouwverordening onbedoeld aanvullend werkt bij onderwerpen die in het bestemmingsplan bewust niet zijn geregeld, bijvoorbeeld omwille van globaliteit. De relevante onderwerpen staan genoemd in paragraaf 2.5 van de Bouwverordening.

6.2.4 Overgangs- en slotregels

Artikel 49 Overgangsrecht bouwwerken

Uitbreiding van de bebouwing die onder het overgangsrecht valt is slechts mogelijk wanneer het bevoegd gezag afwijkt in het kader van een omgevingsvergunning.

Artikel 50 Overgangsrecht gebruik

De overgangsbepaling met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken voor zover dat gebruik afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt.

Artikel 51 Slotregel

Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

In de nieuwe Wro is de mogelijkheid opgenomen om bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Dit vindt plaats door het opstellen van een exploitatieplan, waarin deze verdeelsleutel vastligt. Een exploitatieplan is niet noodzakelijk als de overheid en de ontwikkelende partij, de initiatiefnemer, privaatrechtelijk tot overeenstemming komen.

De Wro stelt eisen aan het exploitatieplan en in het Bro is geregeld voor welke type bouwplannen een exploitatieplan noodzakelijk is, indien het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd. Het gaat om nieuwbouwplannen (woningen of andere hoofdgebouwen), forse uitbreidingen van bestaande gebouwen of kassen (met ten minste 1.000 m²) of forse verbouwingen, bijvoorbeeld als bedrijfsruimten worden omgezet in (ten minste 10) woningen.

Het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk is grotendeels een consoliderend bestemmingsplan. In het plan zijn alleen nieuwe ontwikkelingen opgenomen waarvan geen ontwikkelingen voorzien waarvan de economische uitvoerbaarheid reeds is vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Het opstellen van een exploitatieplan voor het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk is derhalve niet noodzakelijk.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het voorontwerp van het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening aan enkele belanghebbende personen en instanties toegezonden. Tevens is het plan gedurende 6 weken ter inzage gelegd waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk een inspraakreactie in te dienen. De resultaten van de Inspraak en Overleg zijn opgenomen in de 'Nota Vooroverleg en inspraak'. Deze nota is opgenomen in Bijlage 8 van deze toelichting. Indien de reacties hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan, is het bestemmingsplan op die onderdelen aangepast.

Het ontwerpbestemmingsplan is eveneens 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode zijn 47 zienswijzen ingediend. De resultaten van de zijn opgenomen in de 'Nota zienswijzen'. Deze nota is opgenomen in Bijlage 9 van deze toelichting. Indien de zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan, is het bestemmingsplan op die onderdelen aangepast.

Hoofdstuk 8 Handhaving en uitvoering

8.1 Inleiding

De aspecten van de handhaving, de handhaafbaarheid alsmede van de integrale veiligheid spelen bij het maken en uitvoeren van nieuwe (bestemmings)plannen een steeds belangrijker wordende rol. In het kader van de fundamentele herziening van belangrijke wetten zoals de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft het Ministerie van VROM nadrukkelijk gewezen op het belang van een adequate handhaving van de wettelijke bepalingen en de vastgestelde plannen. Handhaving is daarmee in de loop van de tijd niet alleen speerpunt van rijksbeleid geworden, maar ook van provinciaal en gemeentelijk beleid. In die ontwikkeling tijdens de afgelopen jaren hebben de calamiteiten in Enschede, Volendam, Tiel en Maastricht (maar ook die op lokaal niveau) hun eigen stuwende rol gespeeld.

Niet alleen de overheid richt haar aandacht in toenemende mate op veiligheid en handhaving. Ook in de jurisprudentie van de (bestuurs-)rechter is een tendens zichtbaar

die de beleidsvrijheid van overheden met betrekking tot de inzet van het handhavinginstrumentarium steeds verder inperkt. Onder deze bestuurlijke en gerechtelijke druk van boven, maar ook door de druk die de steeds mondig wordende burgers via klachten en handhavingsverzoeken opvoeren, ontkomen de handhavingsinstanties zoals de gemeente niet aan het voeren van een actief, strategisch, integraal en operationeel handhavingsbeleid. Hierbij moet de handhavende instantie (jaarlijks) prioriteiten, speerpunten, doelen en activiteiten vastleggen en uitvoeren op basis van heldere probleemanalyses.

Handhaving is overigens veel meer dan feitelijk optreden. Er bestaat een onderscheid tussen preventieve en repressieve handhavingsinstrumenten. Onder preventieve instrumenten vallen onder andere communicatie, voorlichting en vormen van (financiële) ondersteuning als subsidieverlening. De grootste groep klanten/burgers heeft namelijk de intentie om de regels keurig na te leven. Om hen hierin te ondersteunen is het van belang juiste voorlichting te geven en heldere afspraken te maken. Als klanten zich toch niet aan de regels houden proberen we dat tijdig te signaleren, zodat zij en anderen niet onnodig worden geconfronteerd met de vervelende gevolgen van een overtreding.

Hierbij wordt systematisch, wijkgericht en projectmatig onderzocht waarom mensen (welke) regels overtreden. De uitkomsten hiervan gebruiken we om regelovertreding zoveel mogelijk te voorkomen.

Naast deze preventieve maatregelen is het minstens zo belangrijk om klanten die bewust de regels overtreden aan te pakken. Deze overtreders kunnen dan rekenen op een sanctie. Vormen van repressieve instrumenten zijn onder meer controle, toezicht en opsporing plus het hanteren van sancties als bestuursdwang, dwangsom (bestuursrecht) en boetes (strafrecht).

8.2 Jurisprudentie

Ingevolge de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) geldt dat alleen van handhavend optreden ten opzichte van een illegale situatie kan worden afgezien onder bijzondere omstandigheden dan wel bij concreet zicht op legalisatie. De ABRvS heeft dit vereiste nog eens nader gespecificeerd (ABRvS 16 mei 2007, LJN: BA5244).

De omstandigheid dat een overtreding door een bestuursorgaan lange tijd ongemoeid is gelaten betekent niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving is, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift, het bevoegde bestuursorgaan verplicht tot handhaving. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan het bestuursorgaan afzien van handhaving. Dit is het geval als concreet zicht op legalisatie bestaat of als handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding met de daarmee te dienen belangen dat in die concrete situatie van handhavend optreden kan worden afgezien.

8.3 Gemeentelijk beleid

Met dit bestemmingsplan beoogt de gemeenteraad een voor de burgers duidelijk en herkenbaar ruimtelijk beleid te formuleren. Op grond daarvan mag dan ook verwacht worden dat de gemeente handhavend optreedt als iemand de regels van het bestemmingsplan niet naleeft. Immers, de ruimtelijke kwaliteit van het gebied loopt gevaar als men in strijd met het bestemmingsplan een bouwwerk bouwt of als men in strijd met het bestemmingsplan gronden of bouwwerken gebruikt.

Het achterwege laten van handhaving kan ertoe leiden dat zich ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen voordoen, die negatieve gevolgen hebben voor de ruimtelijke kwaliteit en de veiligheid.

In 2013 heeft het college de beleidsnotitie VTH2013-2017 vastgesteld. De notitie vormt het geactualiseerde beleid voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving. De basisprincipes van het 3-stappenplan en de integrale werkwijze zoals beschreven in de Kaderstellende beleidsnota Integrale handhaving 2004 zijn in stand gehouden.

Elke vier jaar wordt het handhavingsbeleid geevalueerd, zo nodig aangepast en vervolgens opnieuw vastgesteld. Jaarlijks doet het college van burgemeester en wethouders verslag van alle handhavingsaangelegenheden van het afgelopen jaar. Om de twee jaar wordt een uitvoeringsplan opgesteld waarin de werkzaamheden en de prioriteiten voor de komende periode worden bepaald. Hiermee voldoet gemeente Houten aan de verplichtingen uit het Besluit Omgevingsrecht (BOR).

De gemeente pakt niet alle illegale situaties tegelijk aan. De prioritering vindt plaats aan de hand van een zogenaamde risicomatrix. Dit is een rangschikking die wordt opgesteld aan de hand van een prioriteitenstelling en risicobepaling (ernst en kans). Bij calamiteiten wordt altijd opgetreden. Handhaving van de regels van bestemmingsplannen vindt in de gemeente Houten plaats langs bestuursrechtelijke weg. Rechtszekerheid en gelijke behandeling van burgers staan hierbij voorop.

Handhaving op basis van het bestemmingsplan vindt zowel plaats tijdens de uitvoering van een werk waarvoor omgevingsvergunningen voor de activiteiten 'bouwen' zijn verleend als bij het gebruiken van gronden en bouwwerken. Niet alleen handelingen zonder vergunning zijn onderwerp van handhaving, maar ook handelingen in afwijking van een omgevingsvergunning vormen een overtreding. Het gemeentelijk toezicht tijdens de vergunningplichtige activiteiten is gewaarborgd doordat toezichthouders in Houten volgens het Landelijk Toezichtprotocol werken.

8.3.1 Integrale samenwerking en prioriteitsstelling

Er is anno 2012 sprake van een gecoördineerde samenwerking tussen de afdelingen van onze gemeentelijke organisatie die de meeste vergunningen verlenen en die de meeste controles uitvoeren. De hiervoor noodzakelijke afstemming, coördinatie en samenwerking vinden hun basis nog steeds in de Nota Integrale Handhaving 2004. Ook de externe samenwerking met handhavingspartijen wordt hierbij betrokken. Wat dat betreft heeft het integrale handhavingsbeleid (de nota integrale handhaving) haar duurzaamheid bewezen, maar ook bij het afhandelen van (illegale) situaties worden heldere keuzes gemaakt als resultante van een deugdelijk afwegingsproces. Al of niet optreden vindt plaats op grond van een rangschikking die wordt opgesteld aan de hand van een prioriteitenstelling en risicobepaling (ernst en kans). Op basis van de nota integrale handhaving heeft de gemeente twee interne overlegverbanden in het leven geroepen: het Vergunningenoverleg en het Handhavingsoverleg. Er is verder gebleken dat de wijze waarop in Houten al jaren wordt samengewerkt bijna naadloos aansluit op de werkwijze die door de Wabo wordt verlangd.

De Wabo is op 1 oktober 2010 ingevoerd en beoogd een betere en snellere dienstverlening van de overheid aan burgers en bedrijven. Door integrale vergunningverlening en handhaving ontstaat een doelmatige manier van werken en levert op termijn een besparing op. Voor wat betreft de nieuwe werkwijze onder de Wabo zal gebruik gemaakt blijven worden van het Vergunningenoverleg. Daarnaast zal het Handhavingsoverleg een prominentere rol gaan krijgen.

8.3.2 Minder vergunningverlening en meer nadruk op toezicht/handhaving

Door de inwerkingtreding van het BOR (bouwregelgeving), het Activiteitenbesluit (milieuregelgeving) en het Gebruiksbesluit (brandveiligheidsregelgeving) komt de nadruk steeds minder op vergunningverlening en steeds meer op toezicht en handhaving te liggen. Door deze wetswijzigingen is er steeds vaker sprake is van meldingen en steeds minder vaak van vergunningen. Toetsen en controles vinden daardoor steeds vaker gedurende of na een bepaalde ontwikkeling plaats. En hoewel aanvankelijk de indruk bestond dat, door de afname van het aantal vergunningen, de werkdruk zou verminderen, is het tegendeel waar. Er zullen dus keuzes gemaakt moeten worden. Mede om die reden zijnde landelijke vakorganisaties van de Brandweer, het Bouwtoezicht en Milieu (in opdracht van VROM) bezig met de ontwikkeling van een integraal toezichtprotocol. Medio 2008 was de ontwikkeling zo ver dat het een werkbaar instrument was. Dit instrument is inmiddels getest en het blijkt een goede basis te vormen voor integrale controles.

Doordat steeds meer toezicht plaats zal (moeten) gaan vinden, zullen veel mogelijke overtredingen eerder ("tijdens de rit") ontdekt worden. Of en in hoeverre dit gevolgen zal hebben voor het naleefpercentage, valt op voorhand niet te zeggen. In zijn algemeenheid kan echter wel gezegd worden dat handhavingsacties afnemen en voorkomen worden naarmate het toezicht toeneemt. Het is de bedoeling dat zo veel mogelijk burgers en bedrijven door een strikt toezicht bij een eerste controle blijken te voldoen aan alle regels. Hieruit vloeit het zogenaamde naleefpercentage voort. Is eenmaal vastgesteld dat er sprake is van een overtreding waarop handhaving moet volgen, dan voorziet het beleid in een driestappenplan waarlangs de doelen van de handhaving (ongedaan maken onwenselijke/onveilige situatie) kunnen worden bereikt. Het driestappenplan bestaat uit:

  • 1. bestuurlijke waarschuwing;
  • 2. voornemen van een dwangsom/bestuursdwang (voorkeur voor dwangsom);
  • 3. oplegging dwangsom/uitoefening bestuursdwang.

8.4 Handhaving bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk

De regeling in het voorliggende bestemmingsplan staat toegelicht in het hoofdstuk Juridische planbeschrijving. In het bestemmingsplan gaat het om ruimtelijk relevante regels, dat wil zeggen om regels die van belang zijn voor de fysieke inrichting en het gebruik van de grond bij een bestemming.

Niet alle noodzakelijke regels voor de bouw en het gebruik van de verschillende bestemmingen kunnen in dit bestemmingsplan worden opgenomen. Een aantal regels op het terrein van de bouw en het gebruik van gebouwen, aanleg van terreinen, het voeren van een bedrijf kan gesteld worden in de omgevingsvergunning, gebruiksvergunning in het kader van brandpreventie en/of andere vergunningen.

Handhaving van de in het deelgebied geldende regels zal voornamelijk toegespitst zijn op de regels uit het bestemmingsplan alsmede van de vergunningen. Handhaving van het publiekrechtelijke kader heeft namelijk de voorkeur boven de handhaving van het privaatrecht. Privaatrechtelijke afspraken over ruimtelijke aspecten zijn vaak lastig handhaafbaar en worden daarom zo veel als mogelijk vermeden. Echter, soms kunnen afspraken niet gemaakt en verankerd worden met behulp van publiekrechtelijke wetgeving, maar kunnen partijen toch beter een (privaatrechtelijke) overeenkomst afsluiten.

Hier dient evenwel terughoudend mee worden omgegaan, mede in het licht van de handhaafbaarheid, deregulering en de tweewegenleer. Daarbij is privaatrechtelijk overheidsoptreden niet toegestaan indien de publiekrechtelijke regeling dit verbiedt of indien de publiekrechtelijke regeling op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Dit laatste is afhankelijk van de inhoud en strekking van de publieke regeling, op welke wijze in die regeling de belangen van burgers worden beschermd en of via het publiekrecht een vergelijkbaar resultaat kan worden behaald.

Specifieke onderwerpen deelgebied

In het Eiland van Schalkwijk zal de handhaving voornamelijk gericht zijn op het tegengaan van ander gebruik dan waar dit overwegend landelijke gebied voor bedoeld is. Strijdig gebruik en bouwen zonder- of in afwijking van een vergunning, wordt aangepakt volgens het beleid en de prioritering zoals hierboven beschreven.

Twee onderwerpen hebben onze speciale aandacht in dit betreffende plangebied;

  • 1. Huisvesting seizoenarbeiders: De gemeente Houten heeft beleid opgesteld voor het huisvesten van (buitenlandse) seizoensarbeiders. Hieraan dient voldaan te worden.
  • 2. Met betrekking tot het gebruik van boomgaarden wordt verwezen naar de Notitie niet vergunde boomgaarden, welke als Bijlage 12 bij de toelichting is opgenomen.