Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Verplaatsing Timmer- en onderhoudsbedrijf van Dort
Status: voorontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0321.0370BPBVERPLVDORT-VOOR

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten; 
met daaraan ondergeschikt:
  1. nutsvoorzieningen;
  2. recreatief medegebruik;
  3. verkeer en verblijf, waaronder parkeren;
  4. water en waterhuishoudkundige voorzieningen.  

3.2 Bouwregels

Uitsluitend de volgende bouwwerken zijn toegestaan:
  1. Erfafscheidingen tot een maximale bouwhoogte van 1 meter;
  2. tijdelijke lage teeltondersteunende voorzieningen; 
  3. Schuilstal voor vee, met een maximale opervlakte van maximaal 20 m2 per stal en een maximale bouwhoogte van 3 meter en maximaal 1 schuilstal per bedrijf.

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met:
  1. een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing;
  2. een goede verkeerskundige inpassing;
  3. een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden;
  4. een goede hydrologische inpassing;
  5. een goede sociale veiligheid;
  6. een goede brandveiligheid en rampenbestrijding.

3.4 Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Strijdig gebruik

  1. Als strijdig gebruik wordt in ieder geval aangemerkt het gebruiken, in gebruik geven en laten gebruiken van gronden voor:
    1. niet als bouwwerk aan te merken mestbassins;
    2. de opslag van fruitkisten;
    3. de opslag van hooirollen;
    4. de opslag van kuilvoer;
    5. ondergeschikte nevenactiviteiten;
  2. De aanplant van fruitbomen is vanwege de spuitzone niet toegestaan binnen 50 meter rond woningen van derden en terreinen bestemd voor verblijfsrecreatie, met dien verstande dat:
    1. de aanplant van fruitbomen wel is toegestaan rond terreinen voor (kleinschalig) kamperen;
    2. de aanplant van hoogstamfruitbomen die uitsluitend als landschapselement dienen wel is toegestaan.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en-of van werkzaamheden

3.5.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Agrarisch zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegde gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde,
 
of werkzaamheden uit te (laten) voeren:
  1. ophogen, egaliseren, afgraven, afschuiven en ontgronden; 
  2. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen en het aanbrengen van drainage; 
  3. het aanpassen van het beloop van bestaande wegen; 
  4. het aanpassen van het dwarsprofiel van bestaande wegen, voor zover het profiel met meer dan 2 meter wordt verbreed; 
  5. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen voor zover deze zijn gelegen buiten de bekend zijnde kabeltracés; 
  6. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratie-onderzoek; 
  7. het vellen of rooien van houtgewas;
  8. het aanbrengen van diepwortelende beplanting en of bomen en opgaand gewas; 
  9. het aanleggen of verharden van wegen of paden of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; 
  10. het uitvoeren van graafwerkzaamheden; 
  11. het uitvoeren van heiwerken of het anderszins inbrengen van voorwerpen in de bodem.
     
 

3.5.2 Uitzonderingen

Van het vereiste van een omgevingsvergunning zijn uitgezonderd werken en werkzaamheden die:
  1. van zodanig geringe omvang en/of ondergeschikte betekenis zijn dat daardoor geen onevenredige aantasting plaatsvindt van te beschermen historische groenelementen; 
  2. behoren tot normaal onderhoud, beheer of gebruik overeenkomstig de bestemming; 
  3. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds zij mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
     
  

3.5.3 Toelaatbaarheid

De genoemde omgevingsvergunning in artikel 3 lid 5.1  kan slechts worden verleend, indien:
  1. geen onevenredige afbreuk gedaan wordt aan de waterhuishoudkundige functie van de gronden; 
  2. het bevoegd gezag vooraf schriftelijk advies inwint van het Hoogheemraadschap.