Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Verplaatsing Timmer- en onderhoudsbedrijf van Dort
Status: voorontwerp
Plan identificatie: NL.IMRO.0321.0370BPBVERPLVDORT-VOOR

Artikel 11 Algemene aanduidingsregels

11.1 Monumentale bomen

  1. Ter plaatse van de aanduiding “monumentale boom” zijn de gronden tevens bestemd voor de bescherming en het beheer van bomen.
  2. Op de gronden, aangeduid als “monumentale boom” mag, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, niet worden gebouwd, met uitzondering van het vernieuwen van bestaande bouwwerken en de realisering van hekwerken met een bouwhoogte van maximaal 2 meter.
  3. Het is, in afwijking van het bepaalde elders in de regels van dit plan, verboden zonder of in afwijking van een  omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders binnen de als zodanig aangewezen gronden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en/of werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport-, energie- of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    2. het leggen van drainagebuizen;
    3. het aanleggen en verharden van wegen, paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
    4. het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en/of gronden;
    5. het wijzigen van de grondwaterstand door bevloeiing, (bron)bemaling, drainage of andere wijze;
    6. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze van indrijven van voorwerpen in de bodem;
    7. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen.
  4. Het onder artikel 11 lid 1 sub c  genoemde verbod is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit bestemmingsplan.
  5. De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien het werk of de werkzaamheden de conditie en/of vitaliteit van de monumentale boom negatief kunnen beïnvloeden;
  6. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 11 lid 1 sub b en artikel 11 lid 1 sub c genoemde verbod, indien wordt aangetoond dat door het bouwen en/of gebruik van de gronden de conditie, levensverwachting, groeiplaats en (beeld)kwaliteit van de boom niet wordt aangetast. Ten behoeve van het verlenen van de omgevingsvergunning kunnen burgemeester en wethouders een bomen effect rapportage van een erkend boomtaxateur verlangen, waaruit blijkt dat de bouw of werken en/of werkzaamheden geen onevenredige gevolgen hebben voor de levensvatbaarheid en de ruimtelijke, monumentale of ecologische betekenis van de boom;
  7. Burgemeester en wethouders zijn op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd het plan te wijzigen door het verwijderen van de aanduiding “monumentale boom”, indien:
    1. de levensverwachting van de betreffende boom door ziekte of ouderdom minder dan 10 jaar bedraagt, of;
    2. bescherming van de boom niet langer noodzakelijk is, omdat de boom wordt verplaatst, of;
    3. zwaarwegende maatschappelijke belangen dit vergen.