direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Herontwikkeling Koningin Julianastraat 16/18
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de herontwikkeling van het perceel aan Koningin Julianastraat 18 te Houten, ten behoeve van wonen. Ook Koningin Julianastraat 16 maakt onderdeel uit van het plangebied.

Het perceel aan Koningin Julianastraat 16/18 is in gebruik voor een bedrijf dat handelt in kunststoffen. In het bestemmingsplan rust op het perceel Koningin Julianastraat 16 de bestemming 'Bedrijf'. Het perceel aan de Koningin Julianastraat 18 is in het bestemmingsplan bestemd voor 'wonen' en deels voor 'groen'.

In de Visie Oude Dorp 2030 wordt de kunststoffenhandel aan Koningin Julianastraat 16 genoemd. Daarbij wordt aangegeven dat de ligging, schaal en aard van het bedrijf verplaatsing naar een bedrijventerrein op termijn wenselijk is. Ten tijde van het opstellen van het bestemmingsplan Oude Dorp waren hiervoor nog geen plannen. Om die reden heeft het perceel voor een deel de bedrijfsbestemming behouden. Inmiddels zijn er echter wel plannen voor ontwikkeling van het perceel.

Het plan is om het perceel aan de Julianastraat 18 te ontwikkelen als woongebied. Op dit perceel kunnen 8 geschakelde woningen worden gerealiseerd. Het perceel aan Koningin Julianastraat 16 zal ook een woonbestemming krijgen, waardoor wordt uitgesloten dat er een nieuw bedrijf zich kan huisvesten. De huidige kunststoffenhandel wordt uit het Oude Dorp verplaatst naar een bedrijventerrein. Door de realisatie van woningen kan deze verplaatsing bekostigd worden.

De herontwikkeling van het plangebied is op grond van het geldende bestemmingsplan 'Oude Dorp' niet mogelijk. Voor de gewenste nieuwe woningen is een herziening van het geldende bestemmingsplan noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied is gelegen in de kern van Houten, het Oude Dorp. Het plangebied omvat het perceel aan Koningin Julianastraat 16 en 18 en voorliggend grasveld. De ligging van het gebied is weergegeven op de navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0001.jpg"

Plangebied, bron:www.ruimtelijkeplannen.nl

Op het perceel is een bestaande woning aanwezig, evenals een tweetal bedrijfspanden. Het monumentale pand aan de Koningin Julianastraat 18 is niet meer in gebruik en verkeert in slechte staat.

De bebouwing is georiënteerd op de Koningin Julianastraat. Het perceel heeft ook een uitrit aan de Loerikseweg. Aan de oostzijde van het perceel is een basisschool gelegen. Aan de noordoostzijde is een architectenbureau gevestigd. De overige aangrenzende percelen zijn in gebruik voor woondoeleinden. Het perceel ligt in de nabijheid van het centrum van het oude dorp.

1.3 Ontwikkeling

Voor het perceel aan Koningin Julianastraat 18 en voorliggend grasveld te Houten is een plan ontwikkeld voor de realisatie van 8 geschakelde woningen. De woningen worden ontsloten vanaf de Koningin Julianastraat en parkeren vindt plaats op eigen terrein (2 parkeerplaatsen per woning). Het perceel aan Julianastraat 16 wordt eveneens bestemd als wonen en de huidige bedrijfswoning wordt gehandhaafd als woning. De kunststoffenhandel wordt verplaatst naar een bedrijventerrein. Tevens wordt een opslag hal achter de woning van nummer 16 gesloopt. De verplaatsing en sloopwerkzaamheden worden bekostigd door onderhavige ontwikkeling. Er is sprake van een gemeenschappelijke inrit en gemeenschappelijke weg die de woningen ontsluit.

Het perceel ligt op geringe afstand van de winkels aan het Plein.

Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de ontwikkeling. Meer informatie is te vinden in Bijlage 5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0002.jpg"

Situatietekening, bron: Architektenburo Huub van der zee BV

1.3.1 Woningtypologie

Het woningbouwprogramma zal voornamelijk uit twee-onder-één kapwoningen bestaan.

Het merendeel van het plan bestaat uit z.g. levensloopbestendige woningen. Deze woningen zijn met name geschikt voor een oudere doelgroep, een doelgroep die ook al een bijzondere band heeft met het Oude Dorp. Daarnaast heeft Houten behoefte aan meer woningen in dit segment.

In 6 van de 8 woningen bevindt zich het gehele woonprogramma op de begane grond. Dit betreft de woningen die niet zijn georiënteerd op de Koningin Julianastraat. Tevens zal een aantal basisprincipes uit de WMO-voorschriften worden opgenomen in het programma. Deze zijn ook in de anterieure overeenkomst vastgelegd, zodat uitvoering geborgd is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0003.jpg"

Referentiebeeld levensloopbestendige woningen, Julianastraat 16 te Houten, bron: Architektenburo Huub van der zee BV

1.3.2 Duurzaamheid

Voor deze ontwikkeling is de gemeentelijke ambitie ten aanzien van energie neutraal bouwen onverminderd van kracht. Bij de realisatie van de woningen wordt het principe "0 op de meter" toegepast indien van technische- of archeologische beperkingen geen sprake zijn.

1.3.3 Beeldkwaliteit

Het plangebied ligt te midden van de dorpstructuur van Het Oude Dorp te Houten. Zoals op onderstaande afbeelding zichtbaar is, ligt de locatie aan een van de oude bebouwingslinten, namelijk de Koningin Julianastraat. Deze straat vormt een van de ontsluitingsroutes richting het centrum aan het Plein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0004.jpg"

In het beeldkwaliteitsplan Oude Dorp is het volgende aangegeven over de Koningin Julianastraat en de andere bebouwingslinten:
"De gegroeide structuur van de verdichte bebouwingslinten is nog vrijwel intact. Tot deze linten behoren de Lobbendijk, Loerikseweg, Burgemeester Wallerweg, Herenweg, Koningin Julianastraat, Vlierweg. De linten zijn van oorsprong stroomruggen: verzande rivierbeddingen, verhoogd gelegen in het vlakke uiterwaardenlandschap. De linten worden gekenmerkt door voormalige boerderijen, afgewisseld met bebouwing uit de jaren '50 en '60."

In het oude Dorp is het belangrijk juist de dorpse typologie te versterken.

Zoals aangegeven zal het woningbouwprogramma in het plangebied voornamelijk uit twee-onder-één kapwoningen bestaan, ontworpen in een dorpse stijl. In het straatbeeld van de Koningin Julianastraat past een groter volume als markering van het plangebied. Dit grotere volume is ook noodzakelijk om staande te blijven naast het omvangrijke voormalige postkantoor.

Op deze plek wordt gekozen voor 2 twee-onder-één kapwoningen in dezelfde stijl als de achter gelegen lagere woningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0005.jpg"

Referentiebeelden Koningin Julianastraat 16 te Houten, bron: Architektenburo Huub van der zee BV

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0006.jpg"

De woningen vormen een kleinschalig buurtje, passend binnen de schaal van de omgeving. Rondom de woningen wordt een open en dorpse sfeer gecreëerd. Hierbij wordt gestreefd naar een beperking van ‘harde’ erfafscheidingen. Het gewenste beeld is één open woonomgeving (erf). Het gebruik van bijvoorbeeld één brede laan bestaande uit grind tot aan de woningen kan daaraan bijdragen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0007.png"

Streetview voor patio nieuw, bron: Architektenburo Huub van der zee BV

Groen

Zoals aangegeven, wordt gestreefd naar het voorkomen van harde afscheidingen om een dorpse sfeer te creëren. De afscheidingen worden als haag, of met behulp van leibomen vormgegeven. Deze locatie heeft een historie met Leilinden. Deze boombeplanting kende zelfs een monumentale status totdat de toenmalig leilinden afstierven. De leilinde keert terug op deze locatie en wel op een manier dat ze kleur en sfeer geeft aan het gehele project en de naaste omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0009.jpg"

Meer informatie is te vinden in Bijlage 5.

Stedenbouwkundige randvoorwaarden die uit het plan naar voren komen zijn:

Bouwmassa:

  • Eén duidelijk herkenbare hoofdmassa per kavel;
  • Langwerpig, liggend/staand en blokvormig;
  • Aan- en bijgebouwen achter de gevellijn hoofdbouwmassa;
  • Bijgebouwen situeren dicht bij, naast en/of direct achter het hoofdgebouw.

Oriëntatie:

  • Aansluiten op structuur van lintbebouwing;
  • de woningen langs de Koningin Julianastraat zijn georiënteerd op deze weg;
  • de overige woningen vormen een kleinschalig buurtje en zijn intern op de inrit gericht.

Bouwhoogte:
1 tot 2 bouwlagen met kap, passend in de gevelwand, waarbij de levensloopbestendige woningen (de woningen die niet op de Koningin Julianastraat zijn georiënteerd) bestaan uit maximaal 1 bouwlaag met een kap.

Kapvorm en - richting:

  • Zadeldak of mansardekap;
  • Kaprichting evenwijdig of haaks op de straat;
  • Dakkapellen zijn qua omvang ondergeschikt aan de grootte van het dakvlak waarin ze gelegen zijn.

Gevels en detaillering:

  • Zorgvuldige behandeling van gevels zichtbaar vanaf de weg;
  • Detaillering in harmonie met gebouw en omgeving.


Materiaalkeuze:

  • Kozijnen: hout;
  • Dakbedekking: pannen, glimmende dakoppervlakken niet toegestaan m.u.v. zonnepanelen;
  • Gevel: bakstenen.

Qua beeldkwaliteit van de woningen wordt een dorpse stijl voorgestaan. Door de toepassingen van de kenmerkende bakstenen gevels sluit dit aan bij het karakter van de naastgelegen gebouwen (Koningin Julianastraat 16 en de naastgelegen school). In combinatie met een tuininrichting met hagen, leibomen en enkele solitaire bomen wordt ingespeeld op het huidige karakter van de overige bebouwing, gelegen in het lint langs de Koningin Julianastraat.

Wensbeeld tuininrichting:

  • Kavels hebben een zo groen mogelijk karakter: verhard/bebouwd oppervlak zoveel mogelijk beperken;
  • Maximaal één oprit en twee parkeerplaatsen per woning op eigen erf;
  • Aan de voorzijde en zijkant, tot de voorgevel, een (combinatie van) lage groene erfscheiding (haag of andere beplanting), leibomen, eventueel aangevuld met een lage muur (voorzien van enige detaillering);
  • Andere aan de openbare ruimte grenzende erfgrenzen zijn voorzien van een groene erfscheiding: (combinatie van) leibomen, opgaand groen, hagen of volledig te begroeien hekwerk als drager voor de beplanting.
1.3.4 Maatschappelijk draagvlak

Het plan is besproken met omwonenden, waarbij individuele gesprekken tussen omwonenden en de ontwikkelaar hebben plaatsgevonden in juni / juli 2016. Ook hebben de initiatiefnemers een informatieavond georganiseerd in het Oude Dorp. Vanuit de omwonenden is overwegend positief gereageerd op het plan, maar er zijn ook een aantal aandachtspunten meegegeven. De volgende aandachtspunten zijn meegegeven: voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, zichtlijnen en uitzicht, behoud van bomen, rekening houden met situering van balkons, dakkapellen en ramen in verband met privacy. In het ontwerpplan is met de reacties van de omwonenden rekening gehouden.

Tevens is een online enquête gehouden. Ook hieruit volgen positieve reacties op het plan, zoals de goede aansluiting van de woningen op het karakter van het Oude Dorp. Ook wordt positief geoordeeld over de woningen voor verschillende doelgroepen, betaalbaar voor jonge gezinnen en de kleinschaligheid van het project. Als nadeel wordt genoemd dat de enige woningen voor gezinnen aan de Koningin Julianastraat staan. Een enkele respondent wenst een park in plaats van een woningbouwontwikkeling. Ook wordt gewezen op de huidige wegversmalling in de Koningin Julianastraat en het ontstaan van een zijstraat in relatie tot verkeersveiligheid en doorstroming.

Met de uitkomsten van de gesprekken en de enquête is rekening gehouden in het plan. Zo zijn de parkeerplaatsen aan de voorzijde van de woningen gelegd in plaats van achter de woningen. In voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien met twee plekken op eigen terrein. De bestaande parkeerplaatsen aan de Koningin Julianastraat worden (enigszins verplaats) behouden. De woningen aan de Julianastraat zijn dusdanig gesitueerd dat de bomen kunnen worden behouden. De dakvlakken staan ver van andere bebouwing af, waardoor privacy behouden blijft. Er komen geen balkons aan de voorzijde van de woningen aan de Julianastraat conform de wens van een van de omwonenden.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 het geldende planologische regiem, het geldende bestemmingsplan, beschreven. In hoofdstuk 3 is het rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskader opgenomen, voor zover van toepassing op dit bestemmingsplan. De uitvoerbaarheidsaspecten en -onderzoeken zijn opgenomen in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is aangegeven hoe de planregels zijn opgebouwd. Tenslotte is in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Geldende planologische regeling

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingplan 'Oude Dorp', zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 16 januari 2013. In dit plan hebben de gronden aan perceel Koningin Julianastraat 18 de bestemming 'Wonen - Vrijstaand'. De gronden ten zuiden van het perceel zijn bestemd als 'Groen' met een aanduiding 'agrarisch'. Het perceel aan Koningin Julianastraat 16 is bestemd als 'Bedrijf' met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - kunststofverwerkend bedrijf'. Daarnaast zijn de gronden in het plangebied bestemd als 'Waarde - Archeologie 1'. Binnen de archeologische bestemming staat de instandhouding en bescherming van de in deze gronden voorkomende archeologische waarden centraal.

Het bestemmingsplan 'Oude Dorp' laat de realisatie van één woning toe en een kunststofverwerkend bedrijf met bijbehorende bedrijfswoning. Om die reden is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0010.jpg"

Uitsnede bestemmingsplan 'Oude Dorp', bron: ruimtelijkeplannen.nl (plangebied: rode omlijning)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen.

Voor de herziening van het bestemmingsplan is de Ladder voor duurzame verstedelijking relevant. In artikel 3.1.6, tweede lid Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking (duurzaamheidsladder) opgenomen. Om aan de eisen van de duurzame ladder te kunnen voldoen dient een aantal stappen te worden gezet die borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling wordt gekomen.

  • 1. beschreven moet worden dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte, in casu voor woningen;
  • 2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onder 1, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onder 2, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Bij een kleinschalige woningbouwontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Een project van 6 woningen (3 rechtstreeks, 3 met wijzigingsbevoegdheid, 10 juli 2013) wordt niet als een stedelijke ontwikkeling gezien. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft verder in 2014 geconcludeerd dat een plan van 8 woningen als kleinschalig kan worden aangemerkt (ABRvS, 24 december 2014, 201405237/1/R2). Het voorliggend plan laat de bouw van maximaal 8 woningen toe. In onderstaande wordt hiervoor evenwel de duurzaamheidsladder doorlopen.

Afweging

  • 1. Eerste trede

In het Woningbehoefteonderzoek is berekend dat voor de periode tot 2025 de woningbehoefte in Houten bestaat uit 1.800 woningen. Door realisatie van het initiatief is er voor de gemeente Houten op basis van de lokale woningbouwcijfers geen overschrijding van de toelaatbare harde plancapaciteit.

  • 2. Tweede trede

Het plan voorziet in de realisatie van 8 geschakelde woningen en de sloop van het door de gemeente als monument aangewezen vervallen pand aan Koningin Julianastraat 18 en de sloop van de opslaghal aan Koningin Julianastraat 16. Het plangebied wordt herontwikkeld tot woongebied.

  • 3. Derde trede

Trede 3 van de Ladder is niet aan de orde omdat de locatie in de bebouwde kom en daarmee in het stedelijk gebied ligt.

Conclusie

Gelet op de kleinschalige omvang van onderhavig project en de locatiekeuze levert de duurzaamheidsladder geen beperking op voor onderhavige ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Utrecht

In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) (vastgesteld op 12 december 2016, herijkte versie van de PRS zoals die door PS was vastgesteld op 4 februari 2013) beschrijft de provincie Utrecht het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. In de PRS geeft de provincie aan welke doelstellingen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zij van provinciaal belang achten, welk beleid daarbij hoort en hoe zij uitvoering geeft aan dit beleid.

De provincie Utrecht moet aantrekkelijk blijven om te wonen, werken en recreëren. Het ruimtelijk beleid resulteert in drie pijlers:

  • een duurzame leefomgeving;
  • vitale dorpen en steden;
  • landelijk gebied met kwaliteit.

Deze pijlers leiden tot de volgende belangrijke beleidsopgaven:

  • accent op de binnenstedelijke opgave;
  • behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied.

Onderhavige ontwikkeling betreft een binnenstedelijke ontwikkeling en past binnen het provinciale beleid.

3.2.2 Verordening Utrecht

De provincie Utrecht heeft op 12 december 2016 de herijkte Verordening Provincie Utrecht (PV 2013) vastgesteld. De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat regels voor gemeenten. De volgende regels zijn van toepassing op onderliggend bestemmingsplan:

3.1 Stedelijk gebied

Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking.

3.8 Mobiliteitstoets

De toelichting op een ruimtelijk plan waarin ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, bevat een beschrijving van het aantal verplaatsingen die deze ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben en of er door het aantal verplaatsingen knelpunten op het ontsluitende en omliggende verkeersnetwerk voor de diverse modaliteiten kunnen ontstaan.

Onderhavige ontwikkeling betreft een binnenstedelijke ontwikkeling en past binnen het provinciale beleid. Omdat het plan enkel de bouw van 8 geschakelde woningen in de kern van Houten mogelijk maakt, is, mede gezien de doelgroepen, een aanzienlijke toename van het aantal vervoersverplaatsingen niet te verwachten.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Visie Oude Dorp 2030 - een warmer hart voor Houten

Op 9 juli 2009 is de structuurvisie 'Visie Oude Dorp 2030 - een warmer hart voor Houten' vastgesteld door de gemeenteraad. De visie vormt samen met het bestemmingsplan 'Oude Dorp', het actuele beleids- en toetsingskader om gewenste ontwikkelingen te stimuleren en mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan.

Voorliggende ontwikkeling past binnen de visie. De gegroeide structuur van de verdichte bebouwingslinten is vrijwel intact. De Koningin Julianastraat behoort tot deze linten en functioneert als woonstraat. In het straatbeeld past een groter volume. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van geschakelde woningen in dezelfde stijl als de achter gelegen woningen. In de visie wordt de kunststoffenhandel aan Koningin Julianastraat 16 genoemd. De ligging, schaal en aard van het bedrijf maakt verplaatsing naar een bedrijventerrein wenselijk. De herziening van het bestemmingsplan 'Oude Dorp' wijzigt de bestemming 'Bedrijf' naar 'Wonen'. De huidige kunststoffenhandel zal verplaatst worden uit het Oude Dorp naar een bedrijventerrein.

3.3.2 Toekomstvisie Houten 2025

In juni 2015 heeft de raad de toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 vastgesteld. De visie van Houten is: "een duurzaam, innovatief en kleinschalig Houten, met oog voor elkaar en veel ruimte voor eigen initiatief." De visie geeft de koers weer aan de hand van vijf principes:

  • 1. We stellen de mens centraal
  • 2. We waarderen verschillen
  • 3. We zijn zuinig op onze omgeving
  • 4. We bouwen voort op ons ruimtelijke DNA
  • 5. We zijn actief in de regio.

De koers draagt bij aan een gemeente waar het fijn wonen en leven is. Het is nodig dat duurzaam en flexibel wordt gebouwd voor toekomstige generaties.

Voorliggende ontwikkeling is gestart op eigen initiatief en betreft de herontwikkeling van het perceel aan Koningin Julianastraat 18 te Houten, ten behoeve van wonen. De huidige kunststoffenhandel wordt uit het Oude Dorp verplaatst naar een bedrijventerrein. Dit bevordert het woon- en leefklimaat van Houten.

3.3.3 Woonvisie 2016-2025

Op 26 januari 2016 heeft de raad de Woonvisie 2016-2025 vastgesteld. In de woonvisie staat de visie, ambitie en maatregel op het gebied van wonen in Houten tot en met 2025 met een doorkijk naar 2040. Houten is een gemeente waar de kwaliteit van woningen en de leefomgeving hoog is. Dat wil de gemeente Houten graag zo houden en waar mogelijk versterken. Vier centrale thema's van de woonvisie zijn:

  • diversiteit, keuzevrijheid en duurzame woonwens;
  • focus op huisvesting van gezinnen en ouderen;
  • voldoende omvang en betaalbaarheid van de sociale huurwoningvoorraad;
  • wonen en zorg in samenhang bezien.

In het Woningbehoefteonderzoek is berekend dat voor de periode tot 2025 de woningbehoefte in Houten bestaat uit 1.800 woningen. Het bestemmingsplan staat de bouw van 8 geschakelde woningen toe en past hiermee binnen het beleid van de gemeente Houten.

3.3.4 Programma ruimte 2015

In het Programma Ruimte 2015 heeft de gemeente Houten de grote lijnen voor de ruimtelijke ontwikkeling in Houten uitgezet. Het betreft geen blauwdruk, maar beschrijft een nieuwe manier van ontwikkelen met regie op hoofdlijnen en een ondersteunende houding van gemeenten. In het programma is een overzicht met locaties weergegeven waar in 2015 plannen voor zijn of worden verwacht. Hiervoor zijn de hoofdlijnen voor de ontwikkeling al bepaald. Het 'Programma ruimte 2015' wordt in het najaar geactualiseerd.

Het plangebied is gelegen is het centrumgebied van Houten. In het centrum staat de omzet van detailhandel onder druk en bestaat toenemende leegstand. Er is vraag naar tijdelijke en andere functies in lege panden en meer aanbod voor ouderen. In het programma Ruimte is het plangebied reeds als ontwikkellocatie genoemd, "de Herontwikkeling Kunststofhandel". Hiermee is het plan niet in strijd met het Programma ruimte.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Voor het bestemmingsplan zijn onderstaande ruimtelijke thema's relevant. In het kort wordt toegelicht of deze thema's extra aandacht verdienen en of er knelpunten zijn.

4.1 Archeologie

In het plangebied is op basis van het bestemmingsplan sprake van een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. In dit gebied dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd als de aanvraag geen betrekking heeft op:

  • a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m2;
  • c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

Het plangebied is daarnaast op de Archeologische beleidskaart Houten aangewezen als zijnde gebied met archeologische waarden. Met de bouwwerkzaamheden zal meer dan 100 m2 grond verstoord worden. Ter voorbereiding van het bestemmingsplan is op 9 maart 2017 door Econsultancy archeologisch bureauonderzoek en verkennend en karterend booronderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 2. In het plangebied zijn geen archeologisch relevante indicatoren/lagen aangetroffen. Wel kunnen er in het noordelijk deel van het plangebied nog ondergrondse structuren aanwezig zijn van voormalige historisch bebouwing, dat heeft behoord tot het boerenerf Dubbelzand (vermoedelijk een historische woonboerderij (voorganger van de huidige woning/woonboerderij gebouwd in 1900) en een veekraal, datering begin 19e eeuw dan wel ouder, waarschijnlijk wel Nieuwe tijd).

Op basis van het archeologiebeleid zijn deze resten relevant. Uit de Erfgoedwet vloeit bovendien voort dat alle archeologische resten t/m WO2 onderzocht moeten worden.

4.2 Cultuurhistorie

Per 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen aandacht worden te besteed aan cultuurhistorie. Dit is een gevolg van de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening. Hierin is aangegeven dat cultuurhistorische waarden dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen.

In de Cultuurhistorische Atlas van de Provincie Utrecht (CHAT) zijn geen cultuurhistorische waarden opgenomen op onderhavig perceel. Het pand aan de Koningin Julianastraat 16 staat ook niet op de gemeentelijke monumentenlijst. Het pand op nummer 18 staat wel op de gemeentelijke monumentenlijst:

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0011.png"

Als onderdeel van de ontwikkeling van het project is een onderzoek uitgevoerd om te bepalen of het monument aan de Koning Julianastraat 18 te behouden is en toch een bedrijfsverplaatsing van Van den Berg Kunststoffen plaats vindt. In het onderzoek is achtereenvolgens het volgende vastgesteld:

  • 1. Door een extern bureau is de bouwkundige staat vastgesteld. Conclusie: het pand bevindt zich in een slechte tot zeer slechte staat. Meer informatie hierover is te vinden in Bijlage 4.
  • 2. Door een extern kostendeskundig bureau is aan de hand van het bouwkundige rapport een calculatie opgesteld, uitgaande van een herstel van het monument naar een woning aan de eisen en normen van vandaag.
  • 3. Aan de hand van de verkavelingsopzet is vastgesteld dat bij het behoud van het monument minimaal drie van de zes levensloopbestendige woningen niet kunnen worden gerealiseerd.

Op basis van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

Het verplaatsen van het bedrijf en de ontwikkeling van acht woningen is niet mogelijk bij het behoud van het monument Een belangrijk aspect aan deze ontwikkeling is de verplaatsing van het bedrijf naar een kavel op de Meerpaal en dat hierdoor een woningbouwontwikkeling kan plaatsvinden in het Oude Dorp. De situering van het monument op deze locatie maakt dat bij behoud van het monument een woningbouwontwikkeling financieel niet mogelijk is. Daarnaast wordt, door het realiseren van acht woningen, grotendeels voor de doelgroep ouderen in het Oude Dorp, een belangrijke bijdrage geleverd aan de doelstellingen van de woonvisie. Dit maakt dat wij voorstellen om medewerking te verlenen aan voorliggend plan.

Door een extern kostendeskundig bureau is aan de hand van het bouwkundig rapport een calculatie opgesteld, uitgaande van een herstel van het monument naar een woning aan de eisen en normen van vandaag. Bij behoud van het monument ontstaat een te groot deficit op de grondwaarde waardoor de bedrijfsverplaatsing van Van den Berg niet gefinancierd kan worden en om die reden niet kan plaatsvinden (zie ook Bijlage 6).

4.3 Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Dat geldt in het bijzonder voor gevoelige functies als wonen. Ter plaatse van locaties die worden verdacht van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd.

In het onderhavige geval is er gelet op het huidige gebruik en de ontwikkeling van woningen, aanleiding tot het doen van bodemonderzoek. De woningen vormen gevoelige functies. Op 19 januari 2017 is door AMOS Milieutechniek B.V. verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd, zie Bijlage 3. Uit het verkennend bodemonderzoek komt naar voren dat er geen vermoeden is voor de aanwezigheid van een sterke verontreiniging op de locatie. Voorts is de grond op de locatie onverdacht voor de aanwezigheid van asbest. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor eventuele nieuwbouw op de locatie en is geschikt voor gebruiksfuncties behorende bij de bodemfunctieklasse Wonen.

4.4 Ecologie

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb, de Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden), of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Naast het raadplegen van bronnen is het plangebied ten behoeve van de inventarisatie op 22 maart 2017 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs.

PLANGEBIED

Het plangebied betreft een oud woonhuis in slechte staat, met een stuk verhard erf en een klein graslandperceel. Het huis is oorspronkelijk ingericht als woonhuis met schuurdeel en kleine stal voor een paar schapen, maar is nu in gebruik als opslag voor het naastliggende bedrijf. Op het grasland staan daarnaast nog een kleine stal en een aan 2 kanten open afdakje. Het plangebied is omringd door bebouwing van het oude centrum van Houten, met woonhuizen, erven en enkele bedrijven. In het plangebied is geen opgaande beplanting aanwezig, behalve wat klimop tegen een van de gevels en enkele kleine fruitbomen. Aan de oostrand van het plangebied ligt een smalle watergang met steile oevers.

De plannen bestaan uit de realisatie van een aantal woningen. Ten behoeve van de plannen wordt het oude woonhuis gesloopt, de vegetatie verwijderd en de grond vergraven.

 afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0012.png"

Impressie plangebied vanuit het zuiden (22 maart 2017)

 afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0450KONJULIANA-VSBP_0013.png"

Impressie plangebied van het te slopen gebouw (22 maart 2017)

Soortenbescherming

Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen:

  • alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4);
  • dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9);
  • nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).

Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

INVENTARISATIE

Op basis van het veldbezoek blijkt dat het plangebied een zeer beperkte natuurwaarde kent. Uit het raadplegen van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) via Quickscanhulp.nl (© NDFF - quickscanhulp.nl 15-03-2017 14:05:29, de NDFF is de meeste complete natuurdatabank van Nederland. De NDFF geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren en bevat uitsluitend gevalideerde gegevens: de Gegevensautoriteit Natuur heeft vastgesteld dat ze kloppen. Informatie is te vinden op www.natuurloket.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied (0-1 kilometer) de laatste vijf jaar meerdere beschermde soorten zijn waargenomen. Het gaat vooral om amfibieën, zoogdieren en vogels.

In het plangebied zijn plantensoorten van voedselrijke omstandigheden aangetroffen, voornamelijk Engels raaigras, met enkele kruiden zoals paardenbloem en speenkruid. Op een hoekje van het erf staat een drietal kleine fruitbomen. Beschermde planten zijn niet aangetroffen en vanwege het ontbreken van geschikt biotoop ook niet te verwachten.

In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek kauwen waargenomen, en in de omgeving algemene vogels als winterkoning, merel en tjiftjaf. Van de categorie "vogels met jaarrond beschermde nesten" is in de omgeving van het plangebied de huismus aangetroffen, echter niet binnen het plangebied zelf. In de fruitbomen zijn geen nesten aangetroffen.

Tijdens het veldbezoek is de bebouwing onderzocht op aanwezigheid van en potenties voor nesten en sporen van vogels en zoogdieren. In het huis en de stal zijn daarbij geen vogels of zoogdieren waargenomen, noch sporen zoals nesten, uitwerpselen of braakballen. Dit geldt ook voor de over de gehele lengte van de woning doorlopende zolder. Door het ontbreken van dakbeschot biedt het dak geen geschikte nestgelegenheid voor vogels zoals de huismus.

Het plangebied bevat nauwelijks opgaande beplanting en één gebouw. De bomen in het plangebied beschikken niet over voor vleermuis geschikte holtes. In de bebouwing zijn geen invliegopeningen aanwezig zoals open stootvoegen of ruimtes achter overhangende gevelpannen. Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Het plangebied vormt naar verwachting wel een klein deel van het foerageergebied van in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

Nestplaatsen van vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zijn niet in of in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Het weiland is dermate klein en geïsoleerd (ingesloten door bebouwing) dat het niet geschikt is als broedplaats voor bodembroeders. Het is wel geschikt als foerageergebied voor in de omgeving waargenomen vogelsoorten van bebouwde kommen zoals de huismus en kauw. Overige broedvogels worden niet verwacht binnen het plangebied.

In het plangebied ontbreekt permanent oppervlaktewater. Daardoor en door geïsoleerde ligging (ingesloten door bebouwing) is het plangebied niet geschikt voor broedende watervogels of in de omgeving waargenomen beschermde amfibieën, reptielen of vissen.

Geschikt leefgebied voor beschermde niet-vrijgestelde soorten uit de soortgroepen grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden is niet aanwezig in het plangebied.

In het plangebied en de directe omgeving zijn wel enkele beschermde diersoorten zoals bosmuis, egel, bruine kikker en gewone pad te verwachten; voor deze soorten geldt in de provincie Utrecht echter een vrijstelling van de verbodsartikelen. Het aanvragen van een ontheffing van de Wnb is voor deze soorten niet nodig.

TOETSING

Door de plannen verandert het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen, maar zal niet als zodanig verloren gaan. Ook in te realiseren tuinen kunnen vleermuizen foerageren. Negatieve effecten op de staat van instandhouding van vleermuizen zijn niet te verwachten als gevolg van de plannen.

In het plangebied zijn geen nesten van jaarrond beschermde vogelsoorten aanwezig. Het gebied is weinig geschikt als onderdeel van foerageergebied voor vogelsoorten die een groter leefgebied nodig hebben zoals steenuil en kerkuil, en door de kleine oppervlakte van weinig betekenis.

Het plangebied vormt geen onmisbaar leefgebied van de huismus, en geschikte broedplaatsen ontbreken. Leefgebied blijft beschikbaar bij realisatie van het plan, en met eenvoudige maatregelen als het ophangen van mussenhotels is zelfs extra broedgelegenheid te creëren.

Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen in gebruik zijnde nesten van vogels in de directe omgeving worden verstoord. Verstoring was tot 1 januari bij wet verboden (Flora- en faunawet), en dit lijkt voor veel soorten zo te blijven onder de Wet natuurbescherming die 1 januari 2017 in werking is getreden. Verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.

De plannen hebben geen negatief effect op het voorkomen van grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden.

Gebiedsbescherming

Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening.

WET NATUURBESCHERMING

In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

NATUURNETWERK NEDERLAND

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het nationale natuurbeleid. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is uitgewerkt in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 en de Provinciale Ruimtelijk Verordening, Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016). In het NNN staat natuur voorop en ontwikkelingen zijn daarom alleen onder strikte voorwaarden toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen in het NNN mogen per saldo niet leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken ('Nee, tenzij'-regime).

NATUUR BUITEN HET NNN

Naast het NNN wijst de provincie Utrecht ook landbouwgronden aan als Groene Contour. Gronden die zijn aangewezen als Groene Contour wil de provincie Utrecht omvormen tot natuurgebied om daarmee het NNN te versterken. Na realisatie wordt de nieuwe natuur opgenomen als onderdeel van het NNN.

INVENTARISATIE

Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een beschermd gebied in het kader van de Wnb. De meest nabijgelegen gebieden beschermd middels de Wnb betreft het Natura 2000-gebied zijn Uiterwaarden van de Lek en Kolland/Overlangbroek, beide gelegen op een afstand van ongeveer 15 kilometer van het plangebied. Op ongeveer 1,5 kilometer ten noorden en zuiden van het projectgebied liggen de dichtstbijzijnde NNN-gebieden.

TOETSING

Gezien de ligging van het plangebied middenin de bebouwde kom van Houten, de ligging ten opzichte van beschermde gebieden en de aard van het plan kunnen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in het kader van de Wnb op voorhand worden uitgesloten.

De beoogde plannen vinden plaats op ruime afstand van het NNN, waardoor hierop eveneens geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde ecologische inventarisatie is gezien de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van het plan een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan.

Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat een aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet noodzakelijk is. Met inachtneming van het broedseizoen van vogels is een ontheffing van de Wnb voor soorten of een vergunning op grond van de Wnb voor gebieden op voorhand niet nodig voor de beoogde activiteiten. Het plan is daarnaast op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening.

Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat.

4.5 Geluid

4.5.1 Wegverkeerslawaai

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) is bij de vaststelling van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Een geluidsgevoelige bestemming die gerealiseerd wordt langs een 30 km-weg of in een woonerf wordt niet beoordeeld in het kader van de Wgh.

Het plangebied ligt binnen een 30 km/uur gebied. Akoestisch onderzoek is niet nodig.

4.5.2 Geluid inrichtingen

Voor de ontwikkeling van het plan is het noodzakelijk om inzicht te krijgen in de potentiële belemmeringen van omliggende activiteiten en/of bedrijven. Het plangebied ligt in een gemengd gebied, grenzend aan het centrum. Voor de nabij gelegen basisschool geldt een afstand van 30 meter op basis van de uitgave Bedrijven en milieuzonering van de VNG. In een gemengd gebied mag deze afstand verkort worden met één afstandsstap tot 10 meter. Deze afstand wordt gehaald. De nieuwe woningen liggen op een afstand van circa 20 meter en liggen bovendien achter de reeds bestaande bedrijfswoning. Op basis hiervan wordt geen akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluid ten gevolge van de school.

4.6 Verkeer en parkeren

4.6.1 Verkeer

Voorliggend bestemmingsplan staat de bouw van 8 woningen toe. Het woningbouwprogramma zal voornamelijk uit twee-onder-één kapwoningen bestaan. Op basis van de CROW publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' nr. 317 kan de verkeersgeneratie per woning worden berekend. Uitgaande van twee-onder-één kapwoningen (koop) in de 'rest bebouwde kom' en een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' zal de verkeersgeneratie per woning 7,4-8,2 mvt/dag bedragen. Dit betekent dat de nieuwe woningen zorgen voor maximaal 65 motorvoertuigbewegingen per dag. Deze toename is zeer kleinschalig van omvang en vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan. De ontsluiting van het perceel vindt plaats vanaf de Koningin Julianastraat, zoals ook in de huidige situatie. De Koningin Julianastraat kent een goede doorstroming van het verkeer. De weg kan de toename van het verkeer ten gevolge van de 8 woningen aan.

4.6.2 Parkeren

De wijze waarop de parkeerbehoefte moet worden aangetoond, is vastgelegd in de Nota Parkeernormen Houten (2013). In de parkeernota bedraagt de parkeernorm in de 'rest bebouwde kom' circa 1,9 parkeerplaats per grote woning. Parkeren wordt op eigen terrein gerealiseerd. Het plan gaat uit van de realisatie van minimaal twee parkeerplaatsen per woning op eigen erf. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernorm.

4.7 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. I
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft VROM, in samenwerking met InfoMil, de 'nibm-tool' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Bij invoer van de 'nibm-tool 2016' blijkt het volgende:

De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de 8 woningen is niet in betekenende mate en er is geen nader onderzoek nodig.

4.8 Water

Inleiding

De Waterparagraaf is een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan en vormt een wezenlijk element in het gehele watertoetsproces. Het fungeert als een instrument waarin de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan inzichtelijk worden gemaakt, de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar worden vastgelegd en het wateradvies van de waterbeheerder wordt opgenomen. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem vroegtijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd.

Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf zal de uitkomst van de watertoets worden opgenomen.

Beleidskader

In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Houten en het waterschap HDSR (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoer gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd:

  • Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, Waterbeheer 21e eeuw, Nationaal Bestuursakkoord Water, Waterwet;
  • Provinciaal waterbeleid: Provinciaal waterplan 2010-2015;
  • Gemeentelijk waterbeleid: Gemeentelijk Water- en rioleringsplan 2016-2019 (hierna: WRP 2016-2019);
  • Waterschapsbeleid: Waterbeheerplan "Waterkoers 2016-2021", Beleidsregels 2010 Keur 2009, Waterstructuurvisie 2002.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'.

Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.

Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning.

Waterbeheerplan "Waterkoers 2016-2021"

In het Waterbeheerplan Waterkoers 2016 - 2021 staat in grote lijnen het waterbeheer voor de komende zes jaar beschreven. De Waterkoers 2016 - 2021 is een omslag in denken. Het is niet meer vanzelfsprekend dat het waterschap alles wat met oppervlaktewater te maken heeft, zelf op pakt, bepaalt of betaalt. Het waterschap wil vooral samen met mede-overheden, belangen- en maatschappelijke organisaties, bedrijven en bewoners uit het gebied werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Daarom is er ruimte voor initiatieven van derden. Het waterschap werkt de koers verder uit, samen met de gebiedspartners. Andere onderwerpen die in de Waterkoers aan de orde komen zijn waterveiligheid, voldoende water, gezond water, gezuiverd afvalwater en genieten van water.

Waterstructuurvisie 2002

Water speelt een steeds grotere rol in onze samenleving. Functies zijn afhankelijk van de beschikbaarheid van water. Daarnaast verandert het klimaat. Daarom heeft water in de toekomst meer ruimte nodig. In de Waterstructuurvisie presenteert het waterschap zijn integrale visie op een duurzaam waterbeheer op de lange termijn.

Doelen hierbij zijn:

  • het gewenste veiligheidsniveau tegen overstroming en wateroverlast is gegarandeerd;
  • er is sprake van een goede waterkwaliteit;
  • de ecohydrologische variatie binnen het plangebied is hersteld;
  • de bodemdaling is verminderd of zo mogelijk stopgezet;
  • er zijn goede gebruiksmogelijkheden van het plangebied voor verschillende maatschappelijke functies. Er is voldoende water van voldoende kwaliteit beschikbaar om dit mogelijk te maken;
  • de landschappelijke betekenis van water is behouden of versterkt.


In de structuurvisie zijn gebiedsspecifieke doelstellingen en maatregelen gedefinieerd. Ook staan streefbeelden voor 2050 beschreven, gebaseerd op de volgende principes:

  • vasthouden, bergen, afvoeren;
  • voorkomen, scheiden of schoon maken van vuilemissies;
  • vergroten zelfvoorzienendheid en duurzame inrichting;
  • grondwater als ordenend principe.


Het streefbeeld kan niet los worden gezien van het toekomstige grondgebruik binnen het beheersgebied. Enerzijds vraagt het streefbeeld op een aantal plaatsen om meer ruimte voor water. Anderzijds kan het streefbeeld alleen worden bereikt indien het grondgebruik meer op waterdoelstellingen wordt afgestemd. Voor de drie belangrijkste functies: wonen/werken, landbouw en natuur is daarom in kaart gebracht of en hoe deze functies passen bij een duurzaam waterbeheer. Dit is in combinatie met het streefbeeld vertaald naar een visie op het toekomstig gewenste grondgebruik in het werkgebied van het waterschap.

Planspecifiek

Toename verhard oppervlak

De beoogde ontwikkeling is gelegen in het stedelijk gebied. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft daarvoor gesteld dat er bij een toename aan verhard oppervlak groter dan 500 m² er 45 mm per m² aan waterberging gecreëerd dient te worden. Gezien de oppervlakteanalyse nog niet volledig is uitgevoerd kan hier nog geen uitspraak over gedaan worden. Naar verwachting treedt er een toename van circa 475 m² aan verhard oppervlak op en daarmee is alleen de gemeentelijke norm voor waterberging van toepassing.

Voldoende waterberging

Op basis van een totaal verhard oppervlak van 1180 m2 toename 11.8 m3 aan berging gecreëerd dienen te worden. Om 11.8 m³ berging te creëren zullen infiltratiekratten worden toegepast met voldoende capaciteit.

De bestrating in het plangebied zal waterdoorlatend en waterpasserend van aard zijn.

In het bestaande te revitaliseren gebied blijft het bestaand gemengd stelsel gehandhaafd.

Waterkwaliteit

Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, worden bij voorkeur geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) toegepast voor dak, dakgoot en regenpijp.

4.9 Externe veiligheid

Om te bepalen of in en nabij het plangebied risicovolle objecten aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat het plan geen problemen oplevert:

  • Op 300 m van het plangebied ligt het LPG-tankstation aan de Poort. Het plangebied ligt ruim buiten de plaatsgebonden risicocontour en buiten het invloedgebied van dit tankstation. Voor het overige liggen er geen inrichtingen met een zone in het kader van externe veiligheid.
  • Het spoor ligt op ruim 600 m van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour ligt op de spoorbaan zelf. Het invloedgebied van het spoor ligt op 200 m aan weerszijden van de spoorbaan (bron: 'Externe veiligheid – Ontwikkeling Houten Oude Dorp, DHV, 2010'). Het plangebied ligt daar ruim buiten.

Nader onderzoek naar externe veiligheid is niet noodzakelijk. Er worden geen belemmeringen verwacht omtrent externe veiligheid.

Hoofdstuk 5 Verklaring van de regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld.

SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 dient te worden gekozen. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee (vlaksgewijs) is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken.

Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor.

Verbeelding

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Deze aanduidingen zijn in de vorm van een vlak weergegeven. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten. De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter.

Regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd:

Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde weergegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.

Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen.

Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling en algemene regels ten aanzien van gebruik, aanduidingen, afwijkingen en wijzigingen.

Hoofdstuk 4 bevat tenslotte het overgangsrecht en de slotregels met daarin de naam van het bestemmingsplan.

De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden zijn bestemd. In het bestemmingsplan wordt zoveel mogelijk eenduidig omgegaan met de bebouwingsmogelijkheden en toegestane functies bij bestemmingen voor de overige functies in het plangebied.

In de bouwregels wordt aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden.

Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van een wijzigingsbepaling. Na het doorlopen van een procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

Inleidende regels

Het bestemmingsplan voorziet in enkele inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels.

Begrippen

Het opnemen van begripsomschrijvingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of de technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert.

Wijze van meten

Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven lengte, breedte, diepte, oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten.

Bestemmingsregels

Groen

Een deel van het voormalige weiland aan Koningin Julianastraat is als 'Groen' bestemd. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De gronden met de aanduiding 'agrarisch' zijn bestemd voor agrarisch medegebruik.

Tuin - Voortuin

Binnen de voortuinen zijn lage hekwerken van 1 m hoog toegelaten, evenals kliko-ombouwen en -bouwwerken, met een maximum oppervlak van 2 m² en een maximum hoogte van 1,20 m. Tevens zijn de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor erkers, balkons en luifels opgenomen.

Wonen

Per woningtype is een bestemming opgenomen:

- Wonen - Twee-aaneen voor twee-onder-één-kapwoningen. Dit betreft de nieuw te bouwen woningen.

- Wonen - Vrijstaand voor vrijstaande woningen. Dit betreft de bestaande woning op Koningin Julianastraat 16.

Binnen het bouwvlak in de woonbestemming mag het hoofdgebouw, namelijk de woning worden gebouwd. Verder mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak bijbehorende bouwwerken worden gebouwd. De maximale oppervlakte en bouwhoogte zijn in de regels opgenomen. Er geldt een wijzigingsbevoegdheid voor de bestaande woning die is bestemd als 'Wonen - Vrijstaand'. Deze woning ligt in het oorspronkelijke bebouwingslint langs de Koningin Julianastraat. De bedoeling is door middel van de wijzigingsbevoegdheid gemengde functies toe te laten in de linten.

Onzelfstandige woonruimten zijn via een algemene afwijking toegelaten, waarbij aan een aantal te stellen randvoorwaarden moet worden voldaan.

Voor de voorgevel wordt de bestemming 'Tuin - Voortuin' gehanteerd.

Waarde - Archeologie 1 (dubbelbestemming)

De bestemming is opgenomen voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. In de bouwregels zijn nadere regels gegeven voor bouwen. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 100 m² en niet dieper dan 0,5 m -mv is archeologisch onderzoek bij omgevingsvergunningverlening voor bouwen niet vereist. Heeft de bouwactiviteit betrekking op een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m -mv dan is archeologisch onderzoek vereist. Op basis van een rapport dienen de archeologische waarden vastgesteld te zijn. Indien de archeologische waarden door het te bouwen bouwwerk worden verstoord, dan kan het bevoegd gezag één of meerdere voorwaarden ter bescherming van de archeologische waarden aan de omgevingsvergunning verbinden. Voorts geldt een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden.

Algemene regels

In het hoofdstuk 'Algemene regels' zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele bestemmingsplan. Dit zijn onder andere de regels die verplicht zijn gesteld in het Besluit ruimtelijke ordening zoals de anti-dubbeltelbepaling.

Anti-dubbeltelbepaling

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Bro overgenomen in het bestemmingsplan.

Algemene bouwregels

Voor die gevallen waar legaal gebouwde bouwwerken afwijken van de in de regels gegeven maatvoering, is een vervangend voorschrift opgenomen waarbij die afwijkingen als zodanig zijn toegelaten.

Voorts is een regeling opgenomen voor ondergronds bouwen onder gebouwen.

Algemene gebruiksregels

Enkele gebruiksregels gelden voor alle bestemmingen en zijn daarom in het hoofdstuk algemene regels opgenomen. Het is bijvoorbeeld verboden om grond te gebruiken als stort- of opslagplaats of ten behoeve van een seksinrichting, waaronder een prostitutiebedrijf.

Algemene afwijkingen

In dit artikel zijn afwijkingsbepalingen opgenomen die betrekking hebben op alle bestemmingen. Deels betreft het, met het oog op de feitelijke situatie of een concreet bouwplan, een in beperkte mate kunnen aanpassen van de reeds gegeven regels met betrekking tot het gebruik en/of de bebouwing. Deels betreft het ook het kunnen inspelen op een latente bij de planvoorbereiding niet concreet voorziene behoefte aan kleinschalige voorzieningen. Ook onzelfstandige woonruimten zijn via een algemene afwijking toegelaten, waarbij aan een aantal te stellen randvoorwaarden moet worden voldaan.

Overgangs- en slotregels

Het plan kent tot slot een hoofdstuk met overgangs- en slotregels.

De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Deze worden opgenomen conform het Besluit ruimtelijke ordening.

De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald. Overigens wordt voor beide regelingen verwezen naar de betreffende regels.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het plan is toegezonden aan verschillende organisaties en instanties, voor een reactie in het kader van het wettelijk vooroverleg (conform artikel 3.1.1 Bro). Er zijn drie reacties ontvangen:

Provincie Utrecht

Er zijn geen opmerkingen over het plan.


Veiligheidsregio Utrecht

De veiligheidsregio Utrecht gaat akkoord met het plan.


Waterschap HDSR

In het kader van het vooroverleg verwijst het waterschap naar de notitie van het waterschap d.d. 21 april jl..

In het ontwerpbestemmingsplan is de waterparagraaf op advies van het waterschap nader uitgewerkt en afgestemd op genoemde notitie. Tevens is ingegaan op de waterbergingsopgave. Er is een berekening gemaakt van de bergingsopgave. Om waterberging te creëren zullen infiltratiekratten worden toegepast met voldoende capaciteit. De bestrating in het plangebied zal waterdoorlatend en waterpasserend van aard zijn.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Aangezien de coördinatieprocedure wordt toegepast, is tegelijkertijd het ontwerpbesluit Omgevingsvergunning ter inzage gelegd. In die periode had iedereen de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze op het plan en het ontwerpbesluit omgevingsvergunning. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Door initiatiefnemer is een informatieavond georganiseerd voor omwonenden. Tijdens deze avond is de visie voor het project gepresenteerd en naar de mening van omwonenden gevraagd. Tijdens de avond zijn geen directe bezwaren geuit tegen het plan.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De kosten die gepaard gaan met de bijbehorende uitvoeringskosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten van de ruimtelijk-juridische procedure zullen door middel van leges worden verrekend met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer en de gemeente Houten gaan een anterieure overeenkomst aan waarin het verplichte kostenverhaal wordt geregeld.