direct naar inhoud van Artikel 3 Bedrijventerrein
Plan: Bestemmingsplan Het Rondeel - De Meerpaal
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0270BPRDEEL-VOOR

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijfsactiviteiten vanaf categorie 1 tot en met de op de verbeelding aangegeven milieucategorie voor zover deze zijn opgenomen in bijlage 1 "Staat van bedrijfsactiviteiten” met uitzondering van inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht;
  • b. perifere detailhandel;
  • c. ondergeschikte detailhandel;
  • d. tevens de uitoefening van een benzinestation met lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg';
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'openbare dienstverlening': tevens voorzieningen ten behoeve van de politie zoals kantoren, arrestantencomplex, paardenstalling, opleidingscentrum, bureaudiensten en een schietinrichting;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - horeca 1': horeca-activiteiten voor zover deze behoren tot categorie 1b van de van deze regels deel uitmakende “Staat van Horeca-activiteiten”;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - horeca 3': horeca-activiteiten voor zover deze behoren tot categorie 3 van de van deze regels deel uitmakende “Staat van Horeca-activiteiten”;
  • h. een terras, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'terras';
  • i. kantoren die ondergeschikt zijn aan en ten dienste staan van de doeleinden als genoemd onder a tot en met g, met dien verstande dat maximaal 50% van het totale bedrijfsvloeroppervlak tot een maximum van 2000 m² hiervoor gebruikt mag worden;

met de daarbij behorende:

  • j. tuinen, erven, verhardingen en terreinen;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. verkeers- en verblijfsvoorzieningen, waaronder parkeren;
  • m. groenvoorzieningen;
  • n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
3.2 Bouwregels

Voor het bouwen gelden de volgende regels:

3.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de voorgevel moet in de voorgevelrooilijn worden gesitueerd;
  • c. het bebouwingspercentage van het bouwperceel bedraagt maximaal het percentage dat is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximaal bebouwingspercentage';
  • d. de bouwhoogte bedraagt maximaal de hoogte die is aangegeven ter plaatse van de (maatvoerings)aanduiding 'maximale bouwhoogte';
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' mag de maximale goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan ter plaatse is aangegeven;
  • f. in afwijking van het bepaalde onder d. geldt ter plaatse van de aanduiding 'minimale en maximale bouwhoogte' dat de bouwhoogte niet minder en meer mag bedragen dan aangeduid;
  • g. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt tenminste 5 meter;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'openbare dienstverlening' geldt, dat de afstand van de paardenstalling respectievelijk de schietinrichting tot de meest nabijgelegen woning tenminste 50 meter respectievelijk 200 meter dient te bedragen;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'openbare dienstverlening' geldt dat kantoren gezamenlijk ten hoogste 3.500 m2 bedrijfsvloeroppervlak mogen bedragen;
  • j. ter plaatse van de aanduiding 'openbare dienstverlening' dient de onderlinge afstand tussen gebouwen ten hoogste 25 meter te bedragen.
3.2.2 Erfbebouwing

Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 50% van de oppervlakte van het bouwperceel buiten het bouwvlak, met een maximum van 50 m²;
  • c. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3,2 meter;
  • d. de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 6 meter;
  • e. bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan voor de voorgevelrooilijn, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen;

Overige bouwerken, geen gebouwen zijnde

  • f. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 meter, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevelrooilijn maximaal 1 meter bedraagt;
  • g. de bouwhoogte van hijsinrichtingen bedraagt maximaal 25 meter;
  • h. de bouwhoogte van overige bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 15 meter.
3.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 onder i. voor de vestiging van bedrijven met een kantoorvloeroppervlakte van maximaal 3.000 m2, mits het kantooraandeel niet meer bedraagt dan 30% van de totale bedrijfsvloeroppervlakte.

3.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om nadere eisen te stellen met betrekking tot de situering en/of afmetingen van bebouwing, indien dit noodzakelijk is in verband met:

  • a. een goede stedenbouwkundige en/of landschappelijke inpassing;
  • b. een goede verkeerskundige inpassing;
  • c. een goede inpassing van de cultuurhistorische waarden;
  • d. een goede hydrologische inpassing;
  • e. een goede sociale veiligheid
  • f. een goede brandveiligheid en rampenbestrijding.
3.5 Specifieke gebruiksregels
  • a. parkeergelegenheid dient op eigen terrein gerealiseerd te worden, waarbij een parkeernorm geldt van 1,6 parkeerplaatsen per 100 m² bruto vloeroppervlak voor bedrijfsruimte, 2 parkeerplaatsen per 125 m² bruto vloeroppervlak voor ondersteunende kantoorruimte en zelfstandige kantoorruimte;
  • b. tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor:
    • 1. detailhandel, tenzij nadrukkelijk toegestaan;
    • 2. grootschalige detailhandel;
    • 3. Bevi-inrichtingen, met uitzondering van hetgeen is bepaald in lid 3.1 onder d;
    • 4. horeca, tenzij nadrukkelijk toegestaan;
    • 5. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevelrooilijn, met uitzondering voor bedrijven die aan drie zijden worden omsloten door wegen, waarbij opslag voor de voorgevel kan worden toegestaan, onder de voorwaarde dat de opslag door groen wordt afgeschermd;
    • 6. wonen;
    • 7. zelfstandige kantoren;
    • 8. inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht.
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.1 ten behoeve van:
    • 1. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten die zijn opgenomen in een hogere categorie dan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1 en niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten worden genoemd; indien deze gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1;
    • 2. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die hoewel gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in lid 3.1, niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten wordt genoemd;
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.5 onder 2 en de vestiging van grootschalige detailhandel toestaan, mits:
    • 1. uit een distributie-planologisch onderzoek blijkt dat de vestiging van een grootschalig detailhandelsbedrijf niet leidt tot structurele ontwrichting van de aanwezige voorzieningenstructuur van de gemeente;
    • 2. de vestiging van een grootschalig detailhandelsbedrijf geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer;
    • 3. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
    • 4. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 5. er geen geschikte locatie beschikbaar is in het centrumgebied van gemeente Houten.
3.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een aanduiding als bedoeld in lid 3.1 te verwijderen indien de bijbehorende activiteit ter plaatse gedurende ten minste een jaar is beëindigd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat de activiteit op korte termijn wordt voortgezet.