direct naar inhoud van 4.3 Provinciaal beleid
Plan: Beusichemseweg 34b-c
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0321.0380BPBEUSWEG34BC-VOOR

4.3 Provinciaal beleid

4.3.1 Provinciale ruimtelijke structuurvisie (Prs) en Provinciale ruimtelijke verordening (Prv)

Op 4 februari 2013 stellen Provinciale Staten de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) en de daarbij behorende Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) vast. In deze documenten is het ruimtelijk beleid van de provincie voor de komende jaren uitgezet. Het ruimtelijk beleid rust op een drietal pijlers, te weten een duurzame leefomgeving, vitale dorpen en steden en landelijk gebied met kwaliteit:

1. Een duurzame leefomgeving:

  • Ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem en een waterveilige provincie;
  • Behoud van de strategische grondwatervoorraden;
  • Ruimte voor duurzame energiebronnen;
  • Anticiperen op de langetermijngevolgen van klimaatverandering;
  • Behouden en versterken van de kernkwaliteiten van het landschap;
  • Behouden en ontwikkelen van de kwaliteit van de cultuurhistorische hoofdstructuur en de aardkundige waarden.

2. Vitale dorpen en steden:

  • Realiseren van voldoende en op de behoefte aansluitend woningaanbod, met een accent op binnenstedelijke ontwikkeling;
  • Een vitale en innovatieve regionale economie, met voldoende en diverse vestigingsmogelijkheden;
  • Optimaal gebruik van de binnenstedelijke ruimte;
  • Een goede bereikbaarheid voor woon-, werk en vrijetijdsverkeer.

3. Landelijk gebied met kwaliteit:

  • Uitnodigende stadlandzones die stad en land verbinden en met een adequaat recreatieaanbod.
  • Behouden en ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden.
  • Een economisch vitale en duurzame landbouwsector.
  • Behouden en ontwikkelen van de mogelijkheden voor vrijetijdsbesteding (recreatie en toerisme).
  • Behouden van gebieden waar rust en stilte kan worden ervaren.

Twee belangrijke beleidsopgaven die hieruit volgen zijn het accent op binnenstedelijke woningbouw en het behoud en versterking van de kwaliteiten van het landelijk gebied. Om de kwaliteit en vitaliteit van het landelijk gebied te kunnen behouden wordt een terughoudend beleid gevoerd als het gaat om de ontwikkeling van niet aan het landelijk gebied gebonden functies. In de PRS is het plangebied onderdeel van een gebied dat is aangeduid als Landbouwkerngebied (zie figuur 4.1). In deze gebieden heeft de landbouw dan ook het primaat. Deze gebieden worden zo veel mogelijk gevrijwaard van andere functies. In de PRV is ter waarborging hiervan een aantal regels opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0380BPBEUSWEG34BC-VOOR_0005.png"

Figuur 4.1: Uitsnede kaartblad 'landbouw'.

Artikel 4.2 bepaalt dat een ruimtelijk plan geen bestemming of regels bevat die verstedelijking toestaan. Het uitgangspunt is dat een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies moet worden voorkomen. Verstedelijking wordt gedefinieerd als nieuwe vestiging van niet-agrarische bedrijven en woningen, detailhandel en voorzieningen. Het landbouwmechanisatiebedrijf wordt daarbij gezien als niet-agrarisch bedrijf. Bij verplaatsing naar het landelijk gebied is dus, strikt genomen, sprake van verstedelijking. De PRS beschrijft evenwel dat bij vrijkomend agrarische bedrijfsgebouwen vestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het landelijk gebied mogelijk is, wanneer tenministe 50% van de bedrijfsgebouwen wordt gesloopt. Van het slooppercentage van 50% kan de gemeente afwijken wanneer het gaat om de vestiging van bedrijven die vanwege hun werkzaamheden met zwaar rijdend materieel zich voornamelijk richten op, dan wel voor vestiging afhankelijk zijn van, het landelijk gebied. Een landbouwmechanisatiebedrijf is hieronder te scharen.

Daarnaast ligt het plangebied in een gebied dat als bepaald in Artikel 4.9 van de PRV is aangewezen als Rivierengebied. Het plan dient daarom bestemmingen en regels ter versterking van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten te bevatten. De nieuwbouw van het bedrijf mag in dit geval de kernkwaliteiten niet verstoren. De (her)vestiging vindt plaats aan een bestaande weg. Deze weg is een oude weg/structuur, gelegen op een bestaande stroomrug. Deze stroomruggen zijn vanouds, vanwege hun hogere ligging, vestigingsplaatsen voor complexen, getuige de reeds langs de weg aanwezige agrarische en niet-agrarische bedrijven. Het beoogde complex voegt zich hiermee in het patroon van reeds aanwezige bebouwing en bedrijvigheid langs deze weg. Door middel van een beplantingsplan, geborgd in onderhavig bestemmingsplan, wordt een goede landschappelijke inpassing bereikt.

Naast bovenstaande artikelen is bij de hervestiging van het landbouwmechanisatiebedrijf Artikel 3.8 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) van belang. Dit artikel geeft aan dat een ruimtelijke ontwikkeling op adequate wijze ontsloten moet zijn. Hiertoe dient inzichtelijk gemaakt te worden of en zo ja, welke invloed de ontwikkeling heeft op de verkeerstructuur. Er zal als gevolg van de hervestiging van het bedrijf geen significant effect (toename) op de verkeersafwikkeling plaatsvinden. Het type verkeer (landbouwverkeer) is inpasbaar op het gedeelte van de Beusichemseweg dat binnen het landelijk gebied ligt. Ten opzichte van de verkeerssituatie op de huidige bedrijfslocatie ontstaat een verbetering. Daarnaast ontstaat op de Beusichemseweg een veiliger situatie, door de eerder genoemde aanleg van een fietspad tussen Houten Zuid en 't Goy (zie paragraaf 2.2). Een verstoring van de verkeersstructuur is kortom niet aan de orde.

Situatie plangebied

Het bedrijf is thans gevestigd in de kern Houten. Door zijn ligging belemmert het bedrijf een adequate ontwikkeling van de woningbouw met infrastructuur in dat deel van de kern. Het landbouwmechanisatiebedrijf met woning op de huidige locatie, Beusichemseweg 7 / Albers Pistoriusweg 1 te Houten, ligt in een gebied dat vóór de uitbreidingen van Houten-Vinex behoorde tot het landelijk gebied. Vanaf 1997 zijn in het gebied rondom de locatie circa 8.000 woningen gebouwd in zeven deelplannen, waardoor de bedrijfslocatie is omsloten door nieuwe woongebieden (zie figuur 4.2). Dit heeft geleid tot opname van het gebied in de provinciale 'rode contour' (zie figuur 4.4). De huidige bedrijfslocatie in dit gebied is echter als ongewenst te beschouwen. Niet alleen door de slechte inpasbaarheid en bereikbaarheid voor landbouwvoertuigen door de omliggende woongebieden, maar ook door de onmogelijkheid tot uitbreiding, waardoor op en rond de huidige bedrijfslocatie een storende situatie ontstaat met betrekking tot de opslag van landbouwvoertuigen en -machines (zie figuur 4.3).

Met de verplaatsing van het landbouwmechanisatiebedrijf wordt een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van het stedelijk gebied bereikt. Daarnaast heeft een dergelijk bedrijf een belangrijke functie specifiek voor het landelijk gebied en draagt het bij aan de diversificatie van de gemeentelijke economie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0380BPBEUSWEG34BC-VOOR_0006.png"

Figuur 4.2: De huidige locatie van het landbouwmechanisatiebedrijf aangegeven met een rode cirkel, is omsloten door Houten-Vinex.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0380BPBEUSWEG34BC-VOOR_0007.png"

Figuur 4.3: Storende situatie rond de huidige bedrijfslocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0321.0380BPBEUSWEG34BC-VOOR_0008.png"

Figuur 4.4: Uitsnede kaartblad 'wonen en werken', plangebied aangegeven met blauwe pijl.

Uitplaatsing van het bedrijf is uit het oogpunt van een verbetering van de stedelijke kwaliteit en het aanpakken van de ongewenste situatie dan ook al een aantal jaren een punt van aandacht voor de gemeente. In deze zin is de her- c.q. uitplaatsing van het bedrijf en de herontwikkeling van de locatie naar woningbouw in overeenstemming met het provinciaal ruimtelijk beleid. De gemeente heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar een eventuele hervestigingslocatie. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de meest voor de hand liggende locatie, namelijk een locatie op een bedrijventerrein, niet tot de mogelijkheden behoort. Diverse locaties zijn onderzocht maar vestiging wordt vanuit verschillende ruimtelijke aspecten (verkeer, milieutechnische aspecten, grootte) niet mogelijk geacht. Daarbij spelen ook de aard van de bedrijvigheid en oriëntatie van het bedrijf op het landelijk gebied een rol. Er van uitgaande dat het bedrijf voor de gemeente Houten behouden moet blijven én rekening houdend met de aard van het bedrijf c.q. het verzorgingsgebied resteert slechts een (her)vestiging van het bedrijf in het landelijk gebied. Dit kan gebeuren in vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing (VAB). Uit nader onderzoek naar VAB-locaties is gebleken dat geen geschikte VAB-locaties voorhanden zijn binnen de gemeente Houten. De oppervlakte van de aangeboden opstallen is te klein voor de benodigde oppervlakte voor het landbouwmechnisatiebedrijf. Daarnaast kan nieuwbouw pas plaatsvinden wanneer bestaande, verouderde en niet meer geschikte opstallen gesloopt worden. Enkel de locatie aan de Beusichemseweg 34b-c komt naar voren als geschikte locatie voor de hervestiging van het landbouwmechanisatiebedrijf.

Conclusie

Er wordt al 12 jaar gezocht naar een nieuwe locatie voor het landbouwmechanisatiebedrijf. Hiertoe is een onderzoek naar verschillende alternatieven uitgevoerd, waarbij de beoogde locatie Beusichemseweg 34b-c als enige geschikte locatie naar voren kwam. Hoewel deze locatie is gelegen in het landelijk gebied, zijn er in dit specifieke geval enkele bijzondere omstandigheden om hervestiging in het landelijk gebied toch mogelijk te maken. Deze zijn hieronder weergegeven:

  • de urgentie van de bedrijfsverplaatsing (verbetering kwaliteit stedelijk gebied) terwijl andere passende alternatieven ontbreken;
  • de oriëntatie (qua klantenbestand/verzorgingsgebied) van het bedrijf is gericht op het landelijk gebied;
  • de omvang en ruimtelijke uitstraling van het bedrijf ten opzichte van een groot aantal andere bedrijven (al dan niet officieel nog agrarisch) is relatief beperkt.

Daar komt bij dat de bereikbaarheid voor landbouwverkeer alsmede de landschappelijke inpassing op de nieuwe locatie verbeterd wordt. Met voorliggend bestemmingsplan wordt bij recht uitsluitend een landbouwmechanisatiebedrijf met één bedrijfswoning mogelijk gemaakt, waarvan de bebouwingsvlakken en bouw- en goothoogtes gedetailleerd zijn vastgelegd. Tevens is de landschappelijke inpassing geborgd in de regels van het bestemmingsplan.

De hervestiging van het landbouwmechanisatiebedrijf in het landelijk gebied botst op bepaalde punten met de belangen als verwoord in het provinciale beleid. Vanuit de aanknopingspunten die de PRS en PRV bieden kunnen echter voldoende argumenten worden opgevoerd waaruit blijkt dat er geen sprake is van een wezenlijke aantasting van het provinciaal belang. Vanwege de bijzondere omstandigheden én omdat het provinciaal belang niet wezenlijk wordt geschaad, is er aanleiding voor de provincie om mee te werken aan de voorgenomen ontwikkeling.

4.3.2 Structuurvisie Nationale Landschappen

Met de komst van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) op nationaal niveau is de Nota Ruimte vervallen. Daarmee zijn ook de in de Nota Ruimte aangewezen Nationale Landschappen geen onderdeel van het rijksbeleid meer. Door de provincie is het beleid echter wel opgepakt en verder uitgewerkt, in de Structuurvisie Nationale Landschappen en de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen.

De structuurvisie bevat, ten opzichte van de provinciale belangen in het streekplan, uitgewerkte provinciale belangen voor de nationale landschappen in de provincie Utrecht. Het beleid hiervoor is strategisch van aard en gaat over de kwaliteit en de inrichting van de leefomgeving in deze gebieden.

De provincie heeft in het Streekplan opgenomen dat het de landschappelijke kernkwaliteiten verder wil ontwikkelen en versterken en richtinggevend laten zijn bij de verdere ontwikkeling van de provincie. De doelen voor het landschap zijn:

  • het behouden en versterken van de identiteit van de verschillende landschapstypen;
  • het vernieuwen van het landschap, met herkenning van het verleden.

Middels de Structuurvisie Nationale Landschappen zet de provincie zich in voor het behouden, versterken en ontwikkelen van de voor het betreffende nationaal landschap bepalende kernkwaliteiten. Het plangebied maakt deel uit van het Nationaal Landschap Rivierengebied. Voor woningbouw in het Nationaal Landschap Rivierengebied gaat de provincie uit van een bovengrens van migratiesaldo nul. Dit kwantitatieve instrument is daarbij ondersteunend aan de kwalitatieve doelstellingen die met woningbouw worden nagestreefd.

De Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen geeft een nadere beschrijving en toelichting van de kernkwaliteiten van het Rivierengebied.

Het plangebied is gelegen in het Nationaal Landschap Rivierengebied. Ontwikkelingen binnen dit landschap dienen de kernkwaliteiten te behouden en te versterken. Voor het Rivierengebied zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd:

  • 1. Schaalcontrast van open naar besloten;
  • 2. Samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverval - kom;
  • 3. Samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal - rivier;
  • 4. De Kromme Rijn als vesting en vestiging.

Mogelijkheden die in het bestemmingsplan worden geschapen dienen hieraan getoetst te worden. Het bestemmingsplan zal de bestaande landschappelijke waarden zo goed mogelijk moeten beschermen waardoor de aanwezige kernkwaliteiten behouden blijven. Hierover is in een vroeg stadium reeds overleg gevoerd met de provincie. De ontwikkeling van het landbouwmechanisatiebedrijf voegt zich in het reeds aanwezige patroon van bebouwing langs de Beusichemseweg. Om de bedrijfsbebouwing af te schermen is een beplantingsplan opgesteld, welke in dit bestemmingsplan geborgd wordt. Met het beplantingsplan wordt een goede landschappelijke inpassing bereikt. Er wordt daarmee niets afgedaan aan de kernkwaliteiten met betrekking tot de aanwezige landschappen in het Rivierengebied. De ontwikkeling past daarmee binnen de door de provincie gestelde kaders.

4.3.3 Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2011

Het Provinciaal Milieubeleidsplan (PMP) 2009-2011 is op 29 april 2009 door de Provinciale Staten vastgesteld. Het vormt de verbindende schakel tussen het Europese en het nationale milieubeleid enerzijds en de regionale uitwerking van het milieubeleid anderzijds. Het vervangt het Provinciaal Milieubeleidsplan 2004-2008. Het PMP 2009-2011 biedt inzicht in waar de provincie op het gebied van milieu voor staat en wat zij wil bereiken. Het biedt structuur en flexibiliteit om in te spelen op nieuwe inzichten en veranderende omstandigheden.

Het doel van het PMP 2009-2011 is het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Het uitgangspunt van het beleid is het behouden en herstellen van de milieukwaliteit in de provincie, met luchtkwaliteit en geluidhinder als speerpunten. De gezondheid van de Utrechtse burger staat hierbij centraal. Door het behouden en herstellen van de milieukwaliteit worden voorwaarden geschapen voor de natuur en instandhouding van de biodiversiteit. Het beleid richt zich op het creëren van een gezonde leefomgeving door zich te richten op luchtverontreiniging, hinder en externe veiligheid.

In dit bestemmingsplan zal in hoofdstuk 5 aan de relevante milieuaspecten aandachten worden besteed.

4.3.4 Waterplan 2010-2015

Het Waterplan 2010-2015 legt de hoofdlijnen vast van het waterbeleid van de provincie Utrecht voor de betreffende periode. Het plan bevat beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van het water. Met dit plan voldoet de provincie aan de verplichting van de Waterwet om voor een periode van zes jaar een regionaal waterplan op te stellen. Het vervangt het Waterhuishoudingsplan 2005-2010, dat hiermee vervalt.

Het waterplan heeft als doel om tot een robuust watersysteem te komen. Dit doel zal middels een gebiedsgerichte aanpak tot stand moeten komen. In het waterplan wordt per beleidsaspect (waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van het water) beschreven welke acties er worden ondernomen om de doelstelling daadwerkelijk te bereiken.

De provincie geeft met het Waterplan richting aan de rol van water in de leefomgeving. De hoge belevingswaarde van de landschappen draagt in belangrijke mate bij aan de kwaliteit van Utrecht als woon- en werkmilieu. Derhalve werkt de provincie met het concept ‘Watergedragen landschappen’.

In dit bestemmingsplan wordt het aspect water nader beschouwd in hoofdstuk 5.

4.3.5 Conclusies

In voorgaande subparagrafen is per beleidsstuk een conclusie weergegeven. Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling binnen de provinciale beleidskaders past.